Iedereen van harte welkom op mijn weblog. Hier vind je mijn portfolio: verscheidene artikelen, opiniestukken, recensies en historische nieuwsberichten die door mij geschreven zijn. Ze gaan met name over de Nederlandse geschiedenis van de 19e en 20e eeuw, religiegeschiedenis, cultuurgeschiedenis en emigratie.
In de historische binnenstad van
Utrecht, op wandelafstand van de Dom, bevindt zich het Museum
Catherijneconvent. Gehuisvest in een middeleeuws klooster en een aanliggend 18e-eeuws
pand staat de locatie, aldus de folder, treffend symbool voor het uitgangspunt om een “unieke
collectie" te tonen "van zowel protestantse als katholieke kunst- en cultuurvoorwerpen”. Uniek is de collectie zeker, maar de protestanten komen
er nogal bekaaid van af.
De folder kondigt aan dat de museale
verzameling van 60.000 historische objecten voor iedereen interessant is, “voor
jong en oud, van kenner tot leek en van allochtoon tot autochtoon”. Omdat ik
een jonge historicus ben en een geboren Nederlander behoor ik in meerdere
opzichten tot de beoogde doelgroep. Nieuwsgierig geworden wandel ik onder het
poortje door van de Lange Nieuwstraat 38, richting de entree.
De
keizer én God bewierookt
De ontvangstruimte is ruim opgezet en
ziet er keurig uit: een aimabel restaurantje met hapjes, drankjes en voldoende
tafels voor bezoekers. Op de receptietafel ligt het nodige foldermateriaal,
inclusief een plattegrond van het museum. Die leert dat het Catharijneconvent
is opgebouwd uit vijf vaste themazalen: ‘Feest! Weet wat je viert’, ‘de
Schatkamer’, ‘Middeleeuwse meesterwerken’, ‘Christendom in Nederland’ en
‘Utrecht, culturele hoofdstad van de Middeleeuwen’.
‘De Schatkamer’ is prachtig ingericht. Deze ruimte is gevestigd in een gewelfde
kelder die schitterend verlicht is en daardoor de uitstraling heeft van een
echte schatkamer. Er zijn honderden unieke gouden en zilveren artefacten te
vinden uit de christelijke geschiedenis, zoals enkele fraaie ‘aquamaniles’:
waterkannetjes voor het handenwassen tijdens de eredienst. Prachtig zijn ook
enkele ‘monstransen’, voorwerpen van edelmetaal waarin de heilige hostie werd
aangetoond.
Interactieve
kracht
Een andere kostbaarheid van ‘de
Schatkamer’ zijn enkele kazuifels, bisschoppelijke gewaden voor de katholieke
eredienst. Deze
middeleeuwse mantels liet men in het buitenland met goud borduren, zoals het
exemplaar van de Utrechtse bisschop David van Bourgondië (eind 15e eeuw) dat
tot in de jaren 1960 in Nederland gedragen werd. Vrijwel alle kazuifels zijn
echter omgekomen in de maalstroom van de tijd, omdat de katholieken de
waardevolle goudvezels eruit haalden en terugsmolten tot goud.
Wie een duf museum verwacht, haalt tijdens de rondgang door het
Catharijneconvent opgelucht adem. Het museum, gesticht in 1979 en compleet
heringericht in 2006, biedt veel interactieve applicaties. Zoals een audiotour
(die overigens niet alle voorwerpen toelicht), touchscreens en zowaar een
trekautomaat met religieus fastfood uit de hindoeïstische, joodse, christelijke
en islamitische traditie.
Het thema de ‘Middeleeuwse
meesterwerken’ is te vinden in de oude eetzaal van het klooster, de Refter. In
deze zaal bevindt zich een aantal topstukken van het museum, zoals de
indrukwekkende houten heiligenbeelden. De voornaamste pronkstukken zijn echter
het wereldberoemde Middelrijns altaarstuk (circa 1410), een storyboard dat in
tien portretten de hoogtepunten uit het Nieuwe Testament laat zien, evenals een
levensgroot beeld van de katholieke beschermheilige van reizigers Christoffel,
uit 1520.
Utrechtzalen Als ik even later de Utrechtzalen binnenloop zijn de verwachtingen
hooggespannen. Deze zalen zijn in 2009 nieuw opgeleverd en moeten een idee
geven van Utrecht als culturele hoofdstad van de Middeleeuwen. Niet alleen is
het thema wat hoog gegrepen, Utrecht was vooral belangrijk voor de wijde
omgeving, ook had ik in deze zaal meer historische informatie verwacht.
Bijvoorbeeld een antwoord op de vraag wat het nu betekende om een ‘gewone’
katholiek te zijn in middeleeuws Utrecht: hoe zag de religieuze beleving van leken
eruit?
De Utrechtzalen zijn overigens wel volop interactief, met een webspel voor
kinderen, touchscreens en een mooie e-reader die het mogelijk maakt om
historisch tekstmateriaal door te bladeren als de Lebuïnuscodex uit 773, het
oudste boek van het museum. Volgens de overlevering betreft het een handschrift
van de Angelsaksische missionaris Lebuïnus, waarmee hij in de achtste eeuw de
heidenen in de Nederlanden bekeerd zou hebben. Vermoedelijk is dit boek echter
pas na zijn dood vervaardigd.
Historische
onbalans
De themazaal ‘Christendom in
Nederland’, gevestigd in enkele oude kloostergangen, stelt daarentegen teleur. Deze sectie, zo belooft
de internetsite, vertelt het verhaal van het christendom in Nederland. Het
christendom staat hier echter synoniem voor het katholicisme, waardoor het
protestantisme minimale aandacht krijgt, bijvoorbeeld thema’s als de
Reformatie, Beeldenstorm en verzuiling.
Enigszins begrijpelijk is dit wel gezien het feit dat het protestantisme een
stuk soberder was dan het katholicisme. Het resultaat is wel een historische
onbalans: het Museum Catharijneconvent blijkt vooral een kunstmuseum te zijn
dat de visuele ervaring centraal stelt en niet de historische inhoud. Dit wekt
bij de historisch geïnteresseerde bezoeker een ‘art pour l’art-gevoel’ op:
kunst, puur om de kunst.
Conclusie Opbouw en samenstelling van de collectie doen het verleden dus geen recht.
Dit neemt niet weg dat het Catharijneconvent een visuele sensatie is, met maar
liefst 60.000 objecten waaraan je jezelf gemakkelijk een ochtend of middag kunt
vergapen.
Gemiddeld eindcijfer: 7,1
Beoordeling
op: woensdag 17 februari 2010
Recensent/auteur: Enne Koops
* Het eindcijfer komt tot stand aan de
hand van een gewogen scoremodel n.a.v. een rondgang door het
museum. We letten tijdens de beoordeling
o.a. op klantvriendelijkheid, het gebruik van multimedia, de
presentatie, bewegwijzering, de faciliteiten en we bekijken kritisch of
er een verhaallijn in de presentatie zit. Niet alle onderdelen tellen even
zwaar mee. Zo zullen hygiëne of de entreeprijsnooit
zwaarder wegen dan bijvoorbeeld de kwaliteit van de collectie.
“Emigration Culture” as a Concept to Analyze Religious
Aspects of Emigration
The complete article will be published in 2010 in: Jack Nyenhuis en Susanne Sinke (eds.), Across Borders. Proceedings of the Biennial Conference of the AADAS (American Association for the Advancement of Dutch-American Studies) (Holland, MI: Van Raalte Institute, 2010).
Introduction
Between the late 1940s and early 1960s about 410,000 inhabitants
of the Netherlands settled overseas. A
large part of this group, 55 percent, went
to Canada (147.000) and the United States (76.000), while the other 45 percent settled
in countries like Australia, New Zealand and South Africa. A remarkable fact is
that 25 to 30 percent of the Dutch post-war immigrants in North America were gereformeerden (Calvinists), who were
predominantly affiliated with the Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN, Reformed
Churches in the Netherlands). People from the Nederlandse Hervormde Kerk (NHK, Dutch
Reformed Church), the Catholic Church and from smaller Calvinist denominations
were less eager to cross the ocean, compared to the gereformeerden from the GKN, namely: the Gereformeerde Kerken
Vrijgemaakt (GKV, Reformed Churches Liberated), de Gereformeerde Gemeenten
(Netherlands Reformed Congregations), and the Christelijke Gereformeerde Kerken
(CGK, Free Reformed Churches).
These remarkable differences in emigration
behaviour – which will be numerically elucidated further on in this article – raise
the question which religious factors stimulated or hampered Dutch overseas
migration. To help find an answer to this question, this article employs the
method of “emigration culture”. This term has been used before by scholars in
the field of sociology and history, but by providing an original definition and
new fulfilment this strategy could lead to a better understanding of migration.[1] It becomes possible to examine migration
on two comparative levels: temporal (comparing migration throughout different
periods) and categorical (comparing the migration of different cultural or
religious groups).
The first paragraph introduces the short history
of the term, a workable definition and a proposal how this method could be used
to analyze migration processes. The next part summarizes the main added values
of the concept. The following three paragraphs provide implementations of the concept
by presenting the most important conclusions of my PhD Finally, suggestions are
made how scholars could use “emigration culture” as a method for their studies.
Emigration Culture
Most temporary scholars agree that emigration is
foremost a cultural phenomenon, and not just a physical movement from point A
to B. About one decade ago, for instance, prominent scholars argued that “migration
events relate to an individuals whole life – both past experiences and
projected future expectations – and tend to have a wide variety of causes (…).
This sense of embeddedness makes migration a very cultural event: migration is
both a reflection of culture and a constitutive element of culture.”[2] The historians Cornelis van Minnen and
Sylvia Hilton have stated that mobility and migration cannot be understood
properly without taking into account its cultural aspects.[3]
Although most sociologists and historians agree
about the importance of the cultural character of migration, and even have used
the term “emigration culture” for their research (or variations on it), they
did not define a workable method nor utilize the concept. The American historian David A. Gerber uses the term only in an attentive way in his book Authors of Their Lives.[4]
The same is true for the Dutch
sociologist J.H. Elich in his standard work about Dutch post-war emigration to
Australia.[5]Just recently, two American sociologists have proposed
to use the term “culture of emigration” to analyze short periods of migration
on a quantitative level, with an emphasis on gender relations. However, these
scholars did, again, neither develop an analytic method which could be used by historians
to examine migration from a long term perspective, nor a system that could be
utilized to understand the cultural and religious aspects of migration
processes.[6]
“Emigration culture” could be defined as “the presence
of experiences and stories about emigration within a cultural group and the
transformation of those aspects into positive or negative action.” In others
words: an emigration culture is embedded in past experiences of group members, survives
through stories within that group, and leads – or does not lead – to action:
organization, and as a final result: emigration or staying at home.
I discern four building blocks to measure the
strength or weakness of an emigration culture: emigration tradition
(experiences with emigration in the past), public opinion (positive or negative
stories about emigration that circulate within a group and are based on a
certain world view), organization (action or not) and – as a final result of
these factors – the total size of emigration from a specific group or culture. Besides
these factors, the growth of “emigration cultures” is fed or hampered by what
could be referred to as “general conditions”. These conditions cannot explain
the differences between the emigration cultures of the various cultural or religious
groups, but they help to outline the broader framework which is necessary to
understand why emigration in general occurred. Push and pull factors are part
of these “general conditions”, for instance, related to post-war Europe: bleak
economic prospects in the homeland, the attraction of the receiving countries,
government laws, an active emigration or immigration policy, the threat of a
third world war, et cetera. Without these general conditions, emigration would
not have taken place at all.
(c) Enne Koops, 2009-2010
[1] In the introduction of my PhD I have worked out this
method extensively. This dissertation will be published in the spring of 2010
by publisher Verloren in Hilversum, the Netherlands, under the (Dutch) working
title “De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden
en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963).”
[2] P. Boyle, K. Halfacree and V. Robinson, Exploring Temporary Migration (New York:
Longman, 1998), 207.
[3]Cornelis A. van Minnen and Sylvia L.
Hilton, “The Rocky Road to Greener Grass. Mobility in U.S. History. An
Introduction” in: idem and idem (eds.), Mobility
in U.S. History. Nation on the Move (Amsterdam: VU University Press, 2002),
1-15, here 2.
[4] David A. Gerber, Authors
and Their Lives. The Personal Correspondence of British Immigrants to North
America in the Nineteenth Century (New York and Londen: New York University
Press, 2006), 92.
[5] J.H. Elich, Aan
de ene kant, aan de andere kant. De emigratie van Nederlanders naar Australië
1946-1986 (Delft: Eburon, 1987), 31, 85.
[6] William Kandel en Douglas S. Massey, “The Culture of
Mexican Migration: A Theoretical and Empirical Analysis,” Social Forces 80.3 (March 2002): 981-1004, aldaar 981; Liesbeth
Heering, Rob van der Erf and Leo van Wissen, “The Role of Family Networks and
Migration Culture in the Continuation of Maroccan Emigration: A Gender
Perspective,” Journal of Ethnic and
Migration Studies 30:2 (March 2004): 323-337.
In ruim 60 portretten en artikelen schetst dit boek de hoogtepunten in de 400-jarige betrekkingen tussen Friesland en de Verenigde Staten, aan de hand van beroemde Amerikaanse Friezen. Een van
hen is Barack Obama, die volgens geruchten afstamt van de Friese familie Obbema.
Is dit een broodjeaapverhaal of werkelijkheid?
Als er één ding is dat de bundel Gevierde Friezen in Amerika duidelijk
maakt, is het dat Friezen en Amerikanen veel gemeen hebben: hun vrijheidsdrang,
een traditie van federalisme en decentralisme, vlaggen die op elkaar lijken en hun
talen.
Ook in historisch opzicht zijn er ontmoetingen geweest. Zo was Friesland na
Frankrijk de tweede ‘soevereine staat’ die in april 1782 de onafhankelijkheid
van de Verenigde Staten erkende. En de Fries Albert Kuiper bouwde in 1896
Siegel & Cooper, het grootste warenhuis van New York met een grote
vuurtoren. Ook bestaan in Amerika nog steeds vijf plaatsen met de naam
Friesland of variaties daarop. Zelfs is er een donut naar een Fries vernoemd:
de “Krolyer” of “Cruller”. Deze houdt de 17e-eeuwse gouverneur van
Nieuw-Nederland Bastiaen Krol in herinnering.
Films en Fords
De bundel is voortreffelijk geïllustreerd en bevat diverse lezenswaardige
bijdragen. Een voorbeeld daarvan is het fraaie artikel van de historicus Jaap Jacobs
over Pieter Stuyvesant, van 1647 tot 1664 de “kundige en capabele” directeur
van Nieuw-Amsterdam, het huidige New York. Jacobs komt tot de slotsuggestie dat
Stuyvesant, hoewel hij Friesland nog diverse keren bezocht, wellicht meer voor
Friesland heeft betekend dan andersom. Andere mooie bijdragen zijn die van
Huisman over de filmsterrenfamilie van Jane Fonda, Galema over de 19e-eeuwse
Friese emigratie en De Haan over voormalig Ford-president John Dykstra.
Frieslân boppe-achtig
Wat echter in het oog springt, is het kwaliteitsverschil van de artikelen.
Er zitten namelijk ook bijdragen tussen die ronduit slecht geschreven zijn. Verder
is de bundel niet strak geredigeerd en staan er nogal wat storende taal- en
spelfouten in.
Problematisch is de afbakening van het begrip Fries: drie generaties
nakomelingen van Friezen worden als Fries beschouwd. Echter, de redacteuren geven
aan in een aantal gevallen ook personen met een langduriger afstamming tot die
categorie te rekenen. De definitie van wie een Fries is blijft hierdoor mistig.
Ook doet de term ‘gevierd’ uit de titel nogal Frieslân boppe-achtig aan: alleen
geslaagde Friezen komen aan de orde, met als gevolg dat het boek “een parade
der prominenten” wordt. Van een evenwichtige, wetenschappelijke
geschiedschrijving is daarom geen sprake.
Barack Obbema?
Aardig is dat Gevierde Friezen in Amerika een aantal broodjeaapverhalen de
wereld uithelpt, zoals de bewering dat de Amerikaanse vlag gebaseerd is op de
Friese (de overeenkomsten zijn nogal treffend) en het sprookje over Barack
Obama dat de De Volkskrantin februari
2008 lanceerde. Obama zou een verre nazaat zijn van Jelle Obbema, een Fries die
rond 1800 in Kenia een fortuin maakte in de pepermuntolie-industrie (hij was een van de grondleggers van het merk King) en er nogal wat Afrikaanse maîtresses op nahield. Ook Baracks atletische gaven zouden aan zijn Friese roots te danken zijn. Om het verhaal nog mooier te maken, werd zelfs
beweerd dat Obama de verkiezingsleus “Yes, we can!” ontleend heeft aan het
familiecredo van de Obbema’s “Ja, wy kinne”. Een fantastisch verhaal, maar natuurlijk
je reinste kolder. Tsja, ook de wakkerste krant van Nederland is wel eens
slaperig.
Gevierde Friezen in Amerika is de moeite van het lezen meer dan waard.
Helemaal voor het fatsoenlijke bedrag waarvoor het boek in de schappen ligt. Met
inachtneming van de genoemde wetenschappelijke reserves kan dit boek als een aanrader
betiteld worden.
Peter de Haan en Kerst Huisman
(red.), Gevierde Friezen in Amerika (Leeuwarden: Friese Pers Boekerij, 2009), ISBN
978-90-330-0828-3, 319 blz., € 24,95.
Nederland in de
twintigste eeuw biedt een uitstekend, meeslepend geschreven overzicht van de
moderne Nederlandse geschiedenis. Maar de titel van het boek is enigszins misleidend.
Het boek is geschreven door Friso Wielenga, directeur van
het Zentrum für Niederlande-Studien in Münster. Hij schetst een helder beeld
van de politieke en economische hoofdlijnen van ons land uit de laatste 150
jaar. Aardig is dat het boek telkens bijzondere details naar voren haalt die in
veel historische handboeken achterwege blijven, zoals de invoering van een
standaard kloktijd in 1909, toen landelijk de ‘Amsterdamse tijd’ ging gelden.
Kort na de inval in 1940 verving de Duitse bezetter deze tijdsnorm voor de ‘Midden-Europese
tijd’.
Mooie voorbeelden biedt de auteur ook met zijn beschrijving
van de economische modernisering van Nederland in de jaren 1910 en 1920, via de
KLM, Fokker en Unilever. En de talloze dwarsverbanden die hij legt tussen de
Nederlandse en Duitse geschiedenis zijn overtuigend.
Geen Europese provincie
Zoals gemeld is Wielenga goed op de hoogte van de secundaire
bronnen. Zo betoogt hij dat Nederland tijdens het interbellum (1918-1939) deel
uitmaakte van “het moderne dynamische cultuurpatroon dat zich in andere
westerse landen voltrok”. De auteur laat zien hoe Nederland zich in de jaren
1920 en 1930 sterk op de situatie in Duitsland oriënteerde: kritiek op
nazi-Duitsland bleef in economische sectoren vaak achterwege om de
handelsbetrekkingen met de oosterburen veilig te stellen. Dit inzicht sluit
naadloos aan bij de veldwinnende gedachte in historisch Nederland dat het land
tussen beide wereldoorlogen geen Europese provincie was, maar deelde in de continentale
ontwikkelingen.
Misleidende titel
De titel is om twee redenen wat misleidend. Die suggereert,
ten eerste, dat de lezer een totaalgeschiedenis in handen heeft, terwijl vooral
de politieke en economische hoofdlijnen centraal staan. De auteur licht dit wel
toe, maar beargumenteert deze keuze onvoldoende. Aandacht voor culturele
ontwikkelingen – zoals rock-’n-roll, Dolle Mina, sport en technologie – had het
boek meer cachet gegeven.
Ten tweede begint Wielenga’s geschiedverhaal rond het midden
van de negentiende eeuw. Die keus is volkomen terecht omdat de wortels van de
moderne structuren van de Nederlandse politiek en economie in die periode te
traceren zijn, maar had wel in de titel verdisconteerd mogen worden.
Meeslepend
Hoewel dit boek geen nieuwe bronnen ontsluit en alleen recente
secundaire literatuur herhaalt, doet de auteur dat wel op een manier die
respect afdwingt. Wielenga heeft een duidelijke en overtuigende visie, en slaagt
er met zijn meeslepende schrijfstijl in de lezer te boeien. Daarbij maakt de
auteur goed duidelijk wanneer zich continuïteit voordeed of waar de
belangrijkste breukvlakken van de twintigste-eeuwse politieke en economische
geschiedenis lagen. Dat kenmerkt goede historische boeken.
Deze lovende woorden betekenen echter niet dat hét
standaardwerk over de 20e-eeuwse Nederlandse geschiedenis – waarnaar
emeritushoogleraar Vaderlandse geschiedenis in Leiden J.J. Woltjer een gooi
deed met Recent verleden. De geschiedenis
van Nederland in de twintigste eeuw (1992) – nu het levenslicht heeft
gezien. Die geschiedenis moet nog steeds geschreven worden.
Auteur: Enne Koops
Friso Wielenga, Nederland
in de twintigste eeuw (Amsterdam: Boom, 2009)
In april/mei 2010 verschijnt bij Uitgeverij Verloren in Hilversum mijn
proefschrift De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van
gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend
perspectief (1947-1963).
"Van 1947 tot 1963 emigreerden bijna 410.000
Nederlanders overzee, van wie de meerderheid zich vestigde in Canada of de
Verenigde Staten. Onder hen bevonden zich opvallend veel meer gereformeerden
dan hervormden en katholieken. Deze gereformeerden, zo laat Enne Koops in zijn
boek over deze uittocht zien, waren vooral afkomstig uit de Gereformeerde
Kerken in Nederland en minder uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de
Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten.
Koops brengt de stimulerende en
remmende factoren van christelijke emigratieculturen in kaart. Hij volgt de
katholieke, hervormde en gereformeerde emigratieculturen van het begin tot het
eind en vergelijkt deze op het niveau van emigratietraditie, visie, organisatie
en emigratiebereidheid. Ook worden de religieuze aspecten van het emigreren
zelf, per schip en vliegtuig, aan de orde gesteld. Ter afsluiting behandelt Koops
de kerkkeuze en de integratie van Nederlandse geloofsgroepen in Noord-Amerika.
In de jaren na Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse
samenleving in de ban van het fenomeen emigratie. In de periode 1946-1963
emigreerden bijna 410.000 Nederlanders — ongeveer 3 à 4% van de totale
Nederlandse bevolking — naar overzeese landen, waarvan 147.500 de wijk naar
Canada namen (36%) en 76.200 hun toevlucht tot de Verenigde Staten zochten
(19%). De overige 45% van de emigranten koos voor bestemmingen als Australië,
Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland of Brazilië. Deze reislustigen hadden tal van
motieven om Nederland te verlaten: de economie verkeerde na de oorlog in een
crisis, er was een gebrek aan landbouwgrond en huizen, en het internationale
politieke toneel had een onheilspellend aanzien (Koude Oorlog,
Nederlands-Indië), terwijl landen als Canada, de Verenigde Staten en Australië
vanwege hun voorspoed, ruimte en vrijheid een sterke aantrekkingskracht
uitoefenden. Binnen dit emigratieklimaat voerde de Nederlandse regering van
1949 tot 1961 een actief emigratiebeleid. Zij deed dit in de eerste plaats vanuit
de gedachte dat emigratie verlichting bood voor de bevolkingsdruk, die al
decennialang de gemoederen van Nederlandse opiniemakers bezighield en in de
eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog een kookpunt bereikte met de babyboom.
Ten tweede wilde de overheid via haar actieve emigratiepolitiek de werkloosheid
onder agrariërs en laag- of ongeschoolde arbeiders bestrijden. Emigratie werd
in dit verband beschouwd als een vorm van internationale arbeidsbemiddeling en
als een verlengstuk van de industrialisatiepolitiek, die eveneens in 1949
aanving en hetzelfde doel diende, namelijk om het aantal arbeidsplaatsen in
Nederland te vergroten.
In
dit artikel staat het actieve emigratiebeleid van de Nederlandse regering
centraal, waarbij de vraag luidt welke reacties dit beleid opriep bij
verscheidene levensbeschouwelijke groepen in Nederland, specifiek de
gereformeerden, katholieken, socialisten en liberalen. Aan de uitvoering van de
actieve emigratiepolitiek is door historici en sociologen in het verleden
uitvoerig aandacht besteed, maar tot een vergelijking van de respons van de
genoemde bevolkingsgroepen heeft dit nog niet geleid. Met de bestaande
literatuur als leidraad en door middel van aanvullend (archief)onderzoek zal in
dit artikel een poging gedaan worden om deze historiografische leemte op te
vullen. Het artikel bestaat uit twee delen. Eerst bezien we hoe de actieve
emigratiepolitiek zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde en op welke
terreinen de overheid ingreep. Vervolgens worden de reacties van gereformeerden,
katholieken, socialisten en liberalen op het naoorlogse emigratiebeleid van de
Nederlandse regering geanalyseerd.
Van
terughoudendheid naar een actieve emigratiepolitiek
Tot enkele jaren na de Tweede
Wereldoorlog was er geen sprake van een actieve bevordering van emigratie van
overheidswege. De stimulering van emigratie werd in de eerste helft van de
twintigste eeuw overgelaten aan het particuliere initiatief. Het waren de
verzuilde organisaties, de Roomsch-Katholieke Emigratie Vereeniging (RKEV,
1925) en de Gereformeerde Emigratie Vereeniging (GEV, 1927) – na een fusie in
1938 ging deze laatstgenoemde vereniging op een bredere
protestants-christelijke basis verder als de Christelijke Emigratie Centrale
(CEC) –, die de emigratie van mensen uit hun achterban in goede banen trachtten
te leiden. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog bleef de houding van de
overheid onveranderd: zij stelde zich aanvankelijk nog steeds terughoudend op
ten aanzien van de emigratie uit Nederland. De Nederlandse regering achtte een
grootscheepse landsverhuizing van de agrarische beroepsbevolking ongewenst,
omdat op de kleigronden in het noorden en westen op dat moment een tekort aan
landarbeiders bestond. Ook de uittocht van geschoolde arbeiders was in deze
periode niet toelaatbaar, omdat deze nodig waren voor de wederopbouw en
industrialisatie van Nederland. Daarnaast onttrok de militaire strijd in
Nederlands-Indië veel mannen aan het arbeidsproces. Wel acceptabel vond de
regering de emigratie van boeren die geen eigen bedrijf konden krijgen, maar
tot 1949 trad de regering op dit terrein niet bevorderend op.
In
1949 kwam er verandering in de terughoudende opstelling van de Nederlandse
overheid. Waar de regering landverhuizing voor die tijd al beschouwde als een
vorm van internationale arbeidsbemiddeling, als een ‘verplaatsing van
arbeidskrachten’, ging zij de overzeese emigratie vanaf nu ook daadwerkelijk
actief bevorderen. Deze politieke omslag had enkele oorzaken. Zo manifesteerde
zich in de winter van 1948-1949 een serieuze werkloosheid onder ongeschoolde
arbeiders, die de regering ervan overtuigde dat een gesubsidieerde en daardoor
gestimuleerde emigratie noodzakelijk was. Niet alleen in de net genoemde
beroepssector was de situatie penibel, maar ook de werkgelegenheid in het
algemeen, met name in de agrarische sector en onder kleine middenstanders, kwam
in Nederland onder druk te staan. Deze ontwikkeling baarde de Nederlandse
politici zorgen en men vreesde dat het bedrijfsleven de bevolkingsgroei niet
zou kunnen verwerken. Een andere oorzaak was het feit dat het emigratiebeleid
van de overheid goed paste binnen de kaders van de dirigistische economische en
politieke naoorlogse cultuur. Emigratie werd in regeringskringen voortaan
beschouwd als een medeoplossing voor de bevolkingsdruk en de daaraan verwante
problemen op de arbeidsmarkt, in het verlengde van het industrialisatiebeleid.
De eerste industrialisatienota (1949) – tot 1963 zouden er in totaal acht
verschijnen – verwoordde deze nieuwe benaderingswijze. Deze nota was opgesteld
door de Minister van Economische Zaken J.R.M. van den Brink, die meende dat een
combinatie van industrialisatie en emigratie de mogelijkheden op de
arbeidsmarkt zou vergroten en een tegenwicht zou bieden tegen de snelle
bevolkingstoename. In de nota van 1949 viel te lezen dat de Nederlandse
overheid streefde naar een emigratiesaldo van 10.000 personen per jaar. In de
derde industrialisatienota, uit 1952, was het aantal personen dat zou moeten
emigreren om het geschatte tekort op de arbeidsmarkt te compenseren al
opgeschroefd tot 60.000.
Het complete artikel met voetnoten kun je hier
downloaden (pdf)
Inleiding
Tussen 1910 en 1930 verdween de term “landverhuizer” (die in
1817 voor het eerst opdook in officiële stukken) uit het gangbare Nederlandse
vocabulaire en maakte plaats voor het neutralere en modernere woord “emigrant”.
Deze begripsverandering weerspiegelt een verschuivende beeldvorming over emigratie,
van negatief naar positief. Veel negentiende-eeuwse Nederlanders etiketteerden
landverhuizers als zielepoten, lafaards of misdadigers. Die schurken lieten
immers een land in nood achter, zonder mee te werken aan herstel?! Daarom: “Weg
met hen!” Niet voor niets betekende het acroniem NASM – de Nederlandsch-Amerikaansche
Stoomvaart Maatschappij (1872) – in de volksmond “Neemt Alle Schurken Mee!”
In de twintigste eeuw, speciaal na
de Tweede Wereldoorlog, kregen mensen die naar het buitenland vertrokken over
het algemeen een veel positiever imago: ze werden door de massa niet meer gezien
als vluchtelingen, maar als avonturiers, durfals of harde werkers, in elk geval
als moderne mensen. Typerend voor deze visie is een kreet in het Friesch Dagblad in 1955, dat terugblikkend
op de overzeese trek in de voorgaande jaren zijn lezers toeschreeuwde: ‘Wie
niet over emigratieplannen sprak, leek wel een oude sok!’
En momenteel, aan het begin van de
eenentwintigste eeuw, vormt emigreren ogenschijnlijk niet meer dan een
onderdeel van de identiteit van de westerse mens. Iets waarover opiniemakers zich
nauwelijks nog polariserend uitlaten. Volgens het Centrum voor de Geschiedenis
van Migranten (in Amsterdam) is de postmoderne emigrant vooral een “transmigrant”,
een uiterst flexibele globetrotter die voortdurend in beweging is van de ene plek
naar de andere. Het maakt de facto niet meer uit waar ter wereld iemand zich bevindt:
als hij of zij maar bereikbaar is, verbonden met het ‘thuisfront’ door
voortdurend online, stand-by of ‘mobiel’ te zijn. Het echte thuis raakt daardoor
geërodeerd.
De begripsverandering van landverhuizer, via emigrant naar transmigrant
staat niet op zichzelf, maar verraadt een achterliggend moderniseringsproces.
Een verschuivende typering van emigratie veronderstelt veranderingen binnen die
categorie. Maar op welke terreinen deed deze modernisering zich voor? En wat
waren haar gevolgen? Dit artikel schetst de grote lijnen in de modernisering van
de Nederlandse emigratie naar de Verenigde Staten (1840 tot heden) en beantwoordt
daarmee de vraag hoe de modernisering de beeldvorming over en de ervaring van
het emigreren veranderde. Zo doende wordt aansluiting gezocht bij de huidige
trend om migratieprocessen te analyseren vanuit een vergelijkend perspectief in
de tijd.
Deze bijdrage definieert
modernisering als een proces van maatschappelijke, culturele en politieke
verandering dat aangedreven wordt door ontwikkelingen in wetenschap en
technologie, met als belangrijkste verschijnselen globalisering,
rationalisering, bureaucratisering, individualisering en grensvervaging tussen
sociale groepen. Verschijnselen van modernisering in de overzeese emigratie deden
zich voor in opeenvolgende etappes. Gekozen is voor een indeling in zes
perioden. Van deze perioden worden telkens de belangrijkste aspecten van de modernisering
naar voren gehaald: 1840-1870 (landverhuizersverenigingen), 1870-1914 (stoomschepen),
1914-1940 (maatschappelijke organisaties), 1940-1960 (geplande emigratie), 1960-1995
(vliegtuigen) en 1995 tot heden (internet).
1840-1870: landverhuizersverenigingen
Om de landverhuizing vanaf 1840 in perspectief te plaatsen, wordt
begonnen met een paar pennenstrepen over de periode die daaraan voorafging. Van
het begin van de Gouden Eeuw – toen de Republiek op het grondgebied van het
huidige Manhattan de handelskolonie Nieuw-Nederland stichtte – tot 1840 stelde
de emigratie vanuit de Nederlanden naar Amerika maar weinig voor. Het ging om
ongeveer 12.000 mensen, voornamelijk Walen en hugenoten. Transatlantische
verhuizingen stonden veelal in een commercieel en militair perspectief: naar
Amerika vertrokken hoofdzakelijk handelslieden, soldaten en boeren. Zij stonden
veelal in dienst van de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie, of onderhielden
daarmee betrekkingen. Toen de Republiek haar kolonie in 1664 tijdelijk en – na een
korte herovering tijdens de Derde Engelse Oorlog – in 1674 definitief aan de
Engelsen verloor, droogde de Nederlandse landverhuizing naar Amerika vrijwel
geheel op.
In de negentiende eeuw kreeg de
landverhuizing naar de Verenigde Staten een modernere aanblik. Een emigratiepiek
in 1847 markeerde de overgang van Nederland van een immigratie- naar een
emigratieland. Van 1840 tot 1870 emigreerden bijna 35.000 Nederlanders naar de
Verenigde Staten. Naast economische en godsdienstige factoren maakte een aantal
moderniseringen deze omslag mogelijk. Zo richtten talloze burgers in de jaren
1840 “verenigingen” op, een nieuw verschijnsel dat beroepsgroepen, onderwijsprojecten
of filantropische activiteiten samenbracht. Deze moderne organisatievorm werd
ook gebruikt bij groepsemigraties uit Nederland, met de “landverhuizersvereeniging”
als samenbindende factor. De afgescheidenen, de protestanten die vanaf 1834 uit
de Nederlandse Hervormde Kerk traden, liepen hierbij voorop, met aan het roer
predikanten als Albertus van Raalte
en Anthony Brummelkamp. Deze Gelderse
voorgangers stichtten in april 1846 de “Vereeniging van Christenen voor de
Hollandsche Volksverhuizing naar de Vereenigde Staten in N. Amerika”, die landverhuizers
assisteerde bij het boeken van hun reis, het kiezen van een bestemming,
landaankoop en het oprichten van kerken en scholen in het land van aankomst.
Tegelijkertijd zorgde moderne
wetgeving in de Verenigde Staten, speciaal de Pre-emption Act (1841) en de Homestead
Act (1862), voor de uitgave van grote stukken grond aan immigranten. En het
uitdijende Amerikaanse spoorwegnetwerk garandeerde een steeds verdere verspreiding
van de nieuwkomers over het Amerikaanse territorium. Onmisbaar voor het in het
vizier komen van de Verenigde Staten was ten slotte nog de aanzwellende
informatiestroom over dat land vanaf het begin van de negentiende eeuw. Nieuwsberichten,
emigrantengidsen, reisverslagen, brieven en vertaalde romans stelden het
onafhankelijke Amerika aan Nederlanders voor als het ultieme Utopia en
voorzagen in een toenemende behoefte aan informatie over de ‘Nieuwe Wereld’.
Ondanks de modernisering in de jaren
1840-1870 hadden landverhuizers die richting de Verenigde Staten gingen een overwegend
negatief imago. Vooral liberalen wierpen zich op als fervente criticasters: de
landverhuizer zou een overmoedig menstype zijn, was alleen maar uit op het
grote geld en – ook belangrijk – als hij niet naar de eigen Nederlandse koloniën
trok liet de landverhuizer zijn moederland in economisch en cultureel opzicht in
de steek. In 1847 verwoordde de Drentsche
Courant deze kritiek:
‘Thans gaan zij die den geboortegrond
verlaten, naar den vreemde, en zijn dan voor Nederland verloren; terwijl onze
eigen overzeesche bezittingen zooveel aanbieden, om door vestiging en
ontginning, onder doelmatige leiding, hun die zulks zouden ondernemen,
voordeelig en ’t moederland nuttig te zijn.’
1870-1914: stoomschepen
De periode 1870-1914 kenmerkte zich door een revolutie in de
technologie en het transportwezen en – daartoe gepusht door ernstige landbouwcrises
in Europa – een massale trek richting Amerika van ongeveer twintig miljoen
Europeanen. Onder hen bevonden zich 138.000 Nederlanders, 0.7 procent van het
totaal. In het recordjaar 1907 verwerkte de grenspost Ellis Island bij New York
1.3 miljoen nieuwkomers.
De triomf van het moderne stoomschip
op de zeilboot maakte deze massamigratie mogelijk. Het nieuwe scheepstype, dat
vanaf de jaren 1840 een stevige opmars maakte, bood een voorheen ongekende capaciteit
en snelheid. Het stoomschip kon tienmaal zoveel passagiers vervoeren als een
zeilschip en bracht de reisduur terug van vijf tot minder dan twee weken. Voorts
werd de Atlantische overtocht een stuk veiliger: het gemiddelde sterftecijfer
onder opvarenden decimeerde van 1 tot 0.1 procent. Ten slotte verbond de Nieuwe
Waterweg in 1872 Rotterdam met de Noordzee, terwijl in datzelfde jaar de
Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij het levenslicht zag, die een
reguliere vaart op het traject Rotterdam-New York introduceerde.
Deze verbeteringen op het gebied van
technologie, transport en infrastructuur betekenden dat de overtocht naar
Amerika veranderde van een onzeker avontuur in een voorspelbare expeditie. De
reis verliep een stuk sneller, maar was daarmee nog geen luxe ervaring, althans
tot ongeveer 1900. Tot dat moment reisden de landverhuizers vrijwel allemaal
derdeklas, op elkaar gestouwd op het weinig comfortabele tussendek (steerage). Na 1900 kozen de wegtrekkers
die het zich konden veroorloven voor een tweedeklasticket; het tussendek bleef
de verblijfplaats van de allerarmsten.
Een
belangrijk kenmerk van modernisering was dat het stoomschip het individualiseringsproces
onder de landverhuizers bevorderde. De groepsreizen per zeilboot – waarop iedereen
elkaar kende, de homogeniteit groot was en men dagelijks gezamenlijk psalmen zong
en uit de Bijbel las (vooral tijdens oceaanstormen) – maakten plaats voor een
overtocht waarop massaliteit en heterogeniteit de toon aangaven. De massaliteit
introduceerde het verschijnsel van de anonieme reiziger. De heterogeniteit
versterkte dit nog: de opvarenden kwamen voortaan uit verschillende Europese
landen en culturen. Ten slotte deed het stoomschip de religieuze
begeleiding door predikanten verdwijnen. De drukke tussendeks boden hiervoor
onvoldoende ruimte en gelegenheid. Pas na de Tweede Wereldoorlog zouden
boordpredikanten weer een betekenisvolle rol spelen op emigrantenschepen
richting Noord-Amerika, Australië en Zuid-Afrika.
De
opmars van het stoomschip leidde ertoe, om het woord van de migratiehistoricus Hans
Krabbendam te gebruiken, dat de emigrant steeds meer op een “product” ging
lijken. Zo ervoeren de landverhuizers het zelf ook vaak: de overtocht was voor
velen een zure appel waar ze doorheen moesten bijten om bij de zoete appel uit
te komen: het Amerikaanse Utopia. En ook de Nederlandse publieke opinie
beschouwde Amerikagangers overwegend als producten, in extremo zelfs als afvalproducten: “Neemt Alle Schurken Mee!”.
Maar deze beeldvorming stond op het punt te veranderen.
1914-1940: maatschappelijke
organisaties
Historici hebben het tijdvak 1914-1940 vaak beschouwd als
een episode in de Nederlandse geschiedenis waarin weinig tot geen modernisering
plaatsvond, een idee die vijf jaar geleden overtuigend is bijgesteld door het
NIOD. Op het eerste gezicht lijkt van een ontbrekende dynamiek en daarmee modernisering
ook sprake wat de Nederlandse trek naar de Verenigde Staten betreft. Omdat de
Amerikanen door de invoering van strikte immigratiequota hun grenzen voor
nieuwkomers op een kier zetten, liep de overzeese migratie terug met een derde,
van een jaarlijks gemiddelde van 3.000 naar 2.000. In totaal vestigden zich van
1914 tot 1940 ongeveer 56.000 Nederlanders in Amerika, hoofdzakelijk in de
jaren 1910 en 1920.
De teruglopende getallen leken de emigratiecultuur
in Nederland te verzwakken. Echter, het verschijnsel “verzuiling” nam in haar
kielzog de oprichting van allerlei landverhuizingsinstanties mee. Deze trend begon
met de oprichting van de Nederlandsche Vereeniging Landverhuizing (NVL) in 1913.
Deze en andere instanties waarborgden, in een tijd dat de overzeese
landverhuizing terugliep, organisatorische continuïteit en schiepen de
voorwaarde voor het ontstaan van een sterke emigratiecultuur na de Tweede
Wereldoorlog. De in 1927 opgerichte Gereformeerde Emigratie Vereeniging (GEV) –
die vanaf 1938 bekend werd als de Christelijke Emigratie Centrale (CEC) –
slaagde hierin het best. De GEV legde in het Interbellum veel contacten met
kerken en vervoersmaatschappijen in Canada (Amerika was door de quota moeilijker
toegankelijk), terwijl haar leiders Taeke Cnossen en Abraham Warnaar, die tot
1965 onafgebroken aan het roer bleven van die organisatie, voortdurend naar
Noord-Amerika reisden en daarmee veel praktische kennis en ervaring opdeden.
Deze moderne structuren van organisatievorming, globalisering en
transatlantische informatie-uitwisseling werden na de Tweede Wereldoorlog benut
om de trek richting Noord-Amerika en naar andere overzeese gebieden gestroomlijnd
te laten verlopen.
De organisatievorming vanaf de
Eerste Wereldoorlog gaf blijk van een veranderde en modernere visie op emigratie
vanuit de maatschappij. In landbouwkringen, van daaruit werd de NVL geboren, en
in handelskringen – daarvandaan kwam het initiatief voor de oprichting van de
Emigratie Centrale Holland (ECH) in 1923 – groeide de overtuiging dat emigratie
een geschikt middel kon zijn om werkloosheid en overbevolking te bestrijden. In
de jaren 1930 begon ook de Nederlandse regering de emigratie in dit licht te
bezien. En de gereformeerden beschouwden overzeese emigratie als een middel tot
culturele en kerkelijke ontplooiing – hoewel deze categorie een uitzondering
vormde omdat zij al vanaf de negentiende eeuw deze visie aanhing. Natuurlijk
bleven er tegenstanders van emigratie: voornamelijk liberalen beschouwden elke
vertrekkende landgenoot als een culturele aderlating en zouden dat blíjven doen,
ook ná de Tweede Wereldoorlog. Maar de meerderheid beschouwde emigranten niet
meer als domkoppen of zwakkelingen. Zo was in 1915 De Economist te lezen:
‘Het lijdt geen twijfel, dat het gros
van de emigranten, die naar Amerika verhuizen, geenszins tot het schuim van de
menschheid is te rekenen, maar van sociaal-psychisch standpunt bezien in
velerlei opzicht haar élite vormen. Amerika zou zich niet zo krachtig
ontwikkeld hebben, als het meerendeel der emigranten uit domkoppen en
zwakkelingen bestond (...) Zooals de moderne handel een altijd duidelijker
internationaal karakter krijgt, en daardoor juist een der hoofdoorzaken van den
wereldvooruitgang is geworden, evenzo gaat het met de moderne emigratie.’
1940-1960: geplande emigratie
In de eerste naoorlogse decennia bereikte het aantal
overzeese emigranten uit Nederland een peil van 410.000 in de periode
1947-1963, van wie de meerderheid naar Canada ging (147.000), Australië (119.000)
of de Verenigde Staten (76.000). De overige emigranten (68.000) vestigden zich
in Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland of Brazilië. In totaal vertrok ongeveer 3½
procent van de Nederlandse bevolking overzee. Belangrijke motieven vormden het
sombere economische toekomstperspectief, het huizentekort en de dreiging van
een derde wereldoorlog.
De omvangrijke naoorlogse exodus is door
de socioloog William Petersen volkomen terecht bestempeld als een tijdperk van planned migration. Waar de Nederlandse regering
de overzeese emigratie reeds vóór de Tweede Wereldoorlog beschouwde als een
vorm van internationale arbeidsbemiddeling en als een strategie om de
bevolkingsdruk te verlichten, ging zij de uitstroom vanaf 1949 ook
daadwerkelijk actief plannen en bevorderen. Dit resulteerde in de zogenoemde
“actieve emigratiepolitiek”, totdat deze in 1961 onder toenemende druk van de
VVD en KVP werd gestaakt: de Nederlandse economie was inmiddels weer helemaal
opgefleurd en dat gaf aanleiding tot het aantrekken van meer en meer mediterrane
gastarbeiders. Stimulering van emigratie was daarmee overbodig geworden.
De naoorlogse
actieve emigratiepolitiek was totaal en modern. Ze ging gepaard met een enorme
rationalisering, organisatievorming en bureaucratisering. Politiek-Den Haag benutte
alle hulpmiddelen die voorhanden waren om de Nederlandse trek over de
Atlantische Oceaan te stimuleren en reguleren (naast de activiteiten van
maatschappelijke instanties). Zo sloot de regering gunstige verdragen af met de
Canada, Australië en de Verenigde Staten, verstrekte zij subsidies voor de
overtocht en zette zij cursussen op voor aspirant-emigranten. Dit beleid bracht
zij met een breed mediaoffensief aan de man en vrouw: in de politieke arena
door Willem Drees en prins Bernhard, op de radio middels het wekelijkse
vrijdagavond-“emigratiepraatje” van H.A. van Luyk en in de bioscoop via het
Polygoon-journaal, dat wekelijks door 10 procent van debevolking bekeken werd.
Ook buiten de grijparmen van de
politiek kreeg emigratie een positiever en moderner imago. Zo stelden veel dagbladen
buitenlandcorrespondenten aan in de Verenigde Staten, Canada en Australië, om
de emigratieavonturen van hun landgenoten op de voet te kunnen volgen. Daarbij
maakten talloze emigrantenbrieven en opinieartikelen in kranten en periodieken emigratie
tot een positief gespreksonderwerp. Deze bijdragen waren veelal optimistisch
getoonzet, met name in protestantse kranten als Trouw en het Friesch Dagblad,
en in opiniebladen die circuleerden in katholieke kringen. Alleen de liberalen
(“emigratie is cultureel verlies”), de communisten (“Amerika is
kapitalistisch”) en een select groepje protestanten (“de Amerikaanse cultuur is
goddeloos”) deden niet mee aan de dominante beeldvorming over de Verenigde
Staten als een sociaalcultureel of economisch paradijs.
Dat de beeldvorming over de
Verenigde Staten en Canada na de Tweede Wereldoorlog zo positief was, had niet
alleen te maken met het uitdelen van Lucky Strikes, John Players, kauwgom en
chocola door Amerikaanse en Canadeze militairen aan verarmde Nederlanders, maar
ook met de modernisering op mediagebied en met de naoorlogse mondialisering van
de economie. De radio – inmiddels een massamedium – spelde het woord emigratie
regelmatig, de televisie rukte op en vergrootte het wereldbeeld van de kijkers,
terwijl driekwart van de bioscoopfilms dat in Nederland draaide in Hollywood
geproduceerd was. In oktober 1952 viel de eerste Nederlandstalige versie van
Walt Disney’s Donald Duck
gratis op
alle Nederlandse deurmatten. En naast de Marshallhulp (vanaf 1947) vergrootten diverse
bedrijfuitwisselingen de positieve beeldvorming over Noord-Amerika. Eind 1949,
bijvoorbeeld, brachten dertien vertegenwoordigers van de drie grote
vakorganisaties – het NVV, het CNV en de KAB – een oriënterend bezoek aan de
Verenigde Staten om te kijken wat Nederland van het Amerikaanse economische
systeem zou kunnen leren. Na terugkomst publiceerden ze de brochure Zo werkt Amerika!, die één grote lofzang
was op de economie van de Verenigde Staten en in een enorme oplage van
1.345.000 exemplaren over Nederland werd verspreid. Ook veel Nederlandse boeren
bezochten in de jaren vijftig en zestig de Verenigde Staten of Canada; en
trokken na terugkomst vaak aandacht in de Nederlandse media.
1960-1995: vliegtuigen
In de jaren zestig begon de Nederlandse trek naar de
Verenigde Staten terug te lopen van 4.000 personen per jaar naar 3.000, een
gevolg van de geslaagde wederopbouw. Het decennium daarna maakte het aantal
landverhuizers een vrije val naar 350 per jaar, en in de jaren tachtig werd met
310 een laagterecord bereikt. Dit hing ook samen met de implementatie van de
Western Hemisphere Act in 1976, die een visumbeperking invoerde waarmee alleen nog
hoogopgeleide of gekwalificeerde immigranten of personen met familierelaties het
land binnenkwamen. Boeren en industrieel werkvee hadden minder kans. Bij de
terugloop van de immigratie speelde ook de Vietnamoorlog een rol, waardoor Amerika
een negatiever imago kreeg.
Het meest fundamentele aspect van modernisering
vanaf de jaren zestig was de opkomst van emigrantencharters per vliegtuig. De
concurrentie in de lucht leidde er samen met de teruglopende emigratie toe dat
de Holland-Amerika Lijn zich in november 1971 gedwongen zag haar dienst op New
York te staken: het aantal transatlantische passagiers zakte van 100.000 in
1960 naar 11.000 in 1970. Vanaf het eind van de jaren vijftig vloog al 40
procent van de Nederlandse emigranten per vliegtuig naar de Verenigde Staten en
Canada, een percentage dat opliep naar ongeveer 85 procent in de tweede helft
van de jaren zestig. Tegelijk maakte het vliegtuig het bezoeken van
geëmigreerde familieleden in de Verenigde Staten een stuk eenvoudiger. Het
aantal Nederlandse toeristen naar dat land steeg van 20.000 in 1963, 44.000 in
1969 en 74.000 in 1975 naar 141.000 in 1978. Een opiniepeiling gaf aan dat in
55 procent van de gevallen het bezoeken van familieleden het hoofdmotief voor
de reis was.
Emigratie per vliegtuig had als
voordeel dat de reistijd sterk inkortte. Het sleutelwoord van de nieuwe,
moderne emigratie-ervaring was snelheid: Nederlandse globetrotters konden
Noord-Amerika voortaan bereiken binnen zeven uur. Laaggeprijsde vliegtickets
boden bovendien de mogelijkheid om binnen een tijdsbestek van enkele uren terug
te keren naar Nederland, bijvoorbeeld voor familiebezoek of in het geval van
een tegenvallende ervaring.
Maar nadelen waren er ook. Allereerst
had men veel minder tijd om in psychisch opzicht de rite de passage te verwerken. Binnen zeven à acht uur stonden de
landverhuizers aan de andere kant van de oceaan. Op het stoomschip duurde deze
ervaring langer en bestond er meer gelegenheid om de levenstap die men maakte
te verwerken. Tijdens de vaartocht kon men het hart luchten op het spreekuur
van de boordpredikant of de scheepsaalmoezenier, van wiens diensten de opvarenden
veelvuldig gebruik maakten. De emigrantencharters van de KLM enandere
vliegmaatschappijen maakten een einde aan de inzet van deze geestelijke
intermediairs.
In de tweede plaats was de
capaciteit van emigrantenvluchten met ongeveer 60 personen veel geringer dan
die van stoomschepen, die in één vracht 1.500 tot 2.000 personen de oceaan
overbrachten. Er kwamen dan ook veel vaker vliegtuigen aan, wat bijvoorbeeld de
Noord-Amerikaanse immigrantenkerken de vraag opleverde hoe hun geloofsgenoten
bij aankomst op te vangen. Zo schreef John Opmeer, predikant in de Reformed
Church in America (RCA) – een kerkgenootschap dat begin zeventiende eeuw in de
kolonie Nieuw-Nederland gesticht was – over de opvang van de nieuwkomers:
‘Als we geen contact met hen leggen
bij aankomst of in de eerste dagen daarna, verliezen we de eerste en beste kans
om deze emigranten een spiritueel thuis te bieden. Dit is een probleem (...) dat
alleen maar groter zal worden nu het aantal emigranten dat per vliegtuig in
Noord-Amerika aankomt blijft groeien.’
1995-heden: internet
Na de millenniumwisseling begon de emigratie weer aan te
trekken en bereikte een historisch niveau in 2006, toen ruim 132.000
Nederlanders van land verhuisden. De huidige trek vertoont een aantal
overeenkomsten met de jaren vijftig. Allereerst is er tegenwoordig weer veel
media-aandacht voor emigratie: men denke aan televisieprogramma’s aan Ik vertrek (TROS), Geen weg terug (EO) en de jaarlijkse Expat-beurzen. Een tweede
parallel is de motivatie van landverhuizing vanuit “een gevoel van bedreiging”.
De vrees voor een Russische inval – die in de jaren vijftig emigratiepieken
veroorzaakte – heeft plaatsgemaakt voor een wijdverbreide angst voor terroristen.
Dat het aantal aanvragen voor emigratie na de moord op Theo van Gogh in
november 2004 met een factor vijf toenam, verbaast dan ook niet.
Tussen de exodus van de jaren
vijftig en de huidige situatie bestaan echter vooral verschillen. Allereerst is
de tegenwoordige uittocht uit Nederland vooral intra-Europees (70 procent kiest
voor een Europees land), wat mogelijk is geworden door het wegvallen van de
Europese grenzen sinds Die Wende van
1989. Ten tweede hebben huidige emigranten andere motieven dan hun voorgangers:
het motief is niet primair economisch: men wil rust, minder stress en een beter
natuurlijk en sociaal milieu. Wat de emigrant van vandaag, dat is het derde, vooral
onderscheidt van de “wederopbouw-emigrant” is zijn flexibiliteit. De landverhuizer
is een transmigrant geworden en lijkt in niets meer gebonden aan tijd of
plaats. De communicatierevolutie door de opkomst van particulier internet vanaf
de jaren 1990 ligt daaraan ten grondslag. De emigrant kan zich van tevoren via
internet exact oriënteren op de beoogde vestigingsplek, via de zoekmachines van
Google, de megawebcam Google Earth en binnenkort met de deprivatiseerder Street
View. Voorts boeken steeds meer aspirant-landverhuizers via een
bemiddelingsbureau eerst een oriëntatiereis naar het doelgebied. En de emigrant
van vandaag heeft nog het historische geluk dat internet de opkomst van
prijsvechters als EasyJet
en Value Jet (beide in 1995 opgericht) mogelijk
maakte. Sinds 2000 biedt EasyJet online tickets aan voor slechts een handjevol
euro’s. Deze ontwikkeling maakt emigereren een stuk goedkoper en daarmee
eenvoudiger.
Kortom, de transmigrant kan zijn
reis thuis boeken en arrangeren, zonder een onbekende en onzekere wereld binnen
te stappen. Dat veel emigranten – ondanks de beschikbare middelen – er niet in
slagen zich gedegen voor te bereiden op hun vertrek en daar pas na aankomst
achter komen, is op de TROS nog regelmatig te zien in het programma Ik vertrek. En dat is tegelijk ook de
paradox van onze postmoderne, gestroomlijnde samenleving: het gemak maakt haar
burgers lui en daarmee vatbaar voor gemakzucht.
Nelly Schouw-Zaat, Thuis in de wereld. Ervaringen van Nederlandse emigranten, Profiel, Bedum, 2006, ISBN 90-5249-371-0
(paperback), 155 pag., €19,50.
Emigratie
staat sinds ongeveer de millenniumwisseling weer volop in de belangstelling van
de Nederlandse samenleving, politiek en media. Sinds 1998 is er in ons land sprake
van een stijgende emigratie, die in 2004 een mijlpaal bereikte toen 49.000 geboren
Nederlanders de grens overtrokken, een aantal dat sinds 1954 niet meer zo hoog
is geweest. De motieven zijn – anders dan tijdens de grote emigratiegolf van
1947-1963 – niet zozeer de economische leefsituatie van de landverhuizer zelf,
maar de kwaliteit van de hem of haar omringende samenleving. Ruimte, stilte,
natuur en een schoner milieu vormen tegenwoordig de belangrijkste motieven om
Nederland te verlaten, aldus een onderzoek van het blad Demos uit 2005. Het geschonden gevoel van veiligheid, sinds de
aanslagen op de Twin Towers en de moord op Theo van Gogh, is voor veel
Nederlanders nog een extra katalysator om emigratie te overwegen. Een Canadees emigratiebemiddelingsbureau
kreeg na de moordpartij op Van Gogh in november 2004 dagelijks geen drie
telefoontjes van aspirant-emigranten meer, maar vijftien tot twintig.
De toenemende maatschappelijke
belangstelling voor emigratie gaat hand in hand met een groeiende
wetenschappelijke interesse voor dit fenomeen. De Nederlandse emigratie naar
Noord-Amerika in de negentiende en twintigste eeuw heeft recent veel aandacht
getrokken. Voorbeelden zijn de in 2006 verschenen boeken Gereformeerden Overzee. Protestants-christelijke landverhuizers in
Noord-Amerika van de journaliste Agnes Amelink, Vrijheid in het verschiet. Nederlandse emigratie naar Amerika 1840-1940
van de historicus Hans Krabbendam en Wij,
eenvoudige Drentse lui. Landverhuizers uit Drenthe (1846-1872) van Ger de
Leeuw. In hetzelfde jaar verscheen ook het hier te bespreken werk Thuis in de wereld van mevrouw
Schouw-Zaat. Dit laatste boek, geschreven in opdracht van de Katholieke
Emigratie Centrale, onderscheidt zich op vooral twee niveaus van de andere
werken. Allereerst besteedt zij als enige aandacht aan de meer recente
emigratiestroom uit Nederland, waarbij vooral de ervaringen van individuele
emigranten centraal staan. In de tweede plaats springt haar boek in het oog
omdat het, in tegenstelling tot de andere boeken, wetenschappelijk gezien onder
de maat blijft.
De doelstelling van Thuis in de wereld wordt in het ‘woord
vooraf’ vaag omschreven als het documenteren van de ervaringen van emigranten,
met ‘de bedoeling dat anderen hiervan kennis kunnen nemen en zich een
voorstelling kunnen maken van de ontwikkelingen van de emigratie in de
afgelopen vijftig jaar’. Ondanks mijn waardering voor het streven van de
schrijfster om een leesbaar en spannend product te leveren voor mensen die in
emigratie geïnteresseerd zijn, moet mij van het hart dat ik me grote moeite heb
moeten getroosten om dit boek in een enigszins acceptabel tempo uit te lezen. De
problemen beginnen met het ontbreken van een duidelijke vraagstelling,
afbakening en verantwoording. Uit het ‘woord vooraf’ valt wel op te maken dat
vooral de periode 1950-2005 centraal staat, maar niet welke immigratielanden behandeld
worden. In de loop van het betoog blijkt dat een hele serie landen de revue
passeert: Spanje, Portugal, Frankrijk, Polen, Duitsland, Canada, de Verenigde
Staten, Brazilië, Zuid-Afrika, etc. In een boek van slechts 155 pagina’s is het
natuurlijk ondoenlijk om de historische context van zoveel landen in kaart te
brengen, met als gevolg dat de ervaringsverhalen van de emigranten die aan het
woord gelaten worden in het luchtledige blijven hangen. Voorts wordt niet
duidelijk hoe de schrijfster in relatie staat tot het door haar beschreven
onderwerp: is zij historica, praktiserend huisvrouw of is ze zelf geëmigreerd?
We komen er gewoon niet achter, want noch in het ‘woord vooraf’, noch op de
achterflap wordt melding gemaakt van de status van de schrijfster. Wat ik verder
mis zijn voetnoten en een literatuurlijst die het betoog controleerbaar maken. Wel
bevat de lopende tekst sporadisch bronverwijzingen, maar wanneer dit gebeurt,
is sprake van weinig helderheid. Verder kan ik niet instemmen met een aantal
statements dat in het boek gemaakt wordt. Werden na de emigratiedaad werkelijk
vrijwel alle banden met het moederland doorgesneden? (151). Recent migratieonderzoek
heeft aangetoond dat de contacten tussen vertrek- en vestigingsland op veel
niveaus hecht bleven, onder meer door briefwisselingen, wederzijdse bezoeken,
lectuur, remigratie en de opkomst van het vliegtuig, die transnationaal contact
eenvoudiger maakte. De uitspraak dat de omvang van de Nederlandse emigratie en
immigratie naar ons land de laatste jaren ongeveer gelijk is gebleven (153)
klopt evenmin. Tussen 1998 en 2003 is de emigratie gestegen van ongeveer 36.000
naar 50.000 mensen per jaar, terwijl de immigratie gezakt is van 26.000 naar
20.000 personen, aldus het eerdergenoemde onderzoek in het blad Demos. Dat lijkt me toch een
substantieel verschil. Jammer is ten slotte dat er in het boek minstens honderd
grammaticale missers en stijlfouten voorkomen.
Valt er dan niets positiefs over dit
boek te zeggen? Toch wel. Thuis in de
wereld bevat een aantal leuke anekdotes, zoals de bijdrage van Martin en
Thea Jonkers, die in de jaren vijftig naar Australië emigreerden. Toen Thea in
1954 in een Australische kraamkliniek moest bevallen, wreekte zich haar
gebrekkige kennis van het Engels. Toen de verpleegster haar aanmoedigde met
‘push, push’, dacht Thea dat de poes van het personeel zoek was (82). Gelukkig
bleek het kind dat korte tijd later ter wereld kwam gezond te zijn.
In het ‘woord vooraf’ omschrijft de redactie het boek
van Schouw-Zaat als een ‘boeiende samenhangende uitgave’. Deze visie deel ik helaas
niet. Het boek Thuis in de wereld ontstijgt
het niveau van een hobbyistenplakboek nauwelijks en roept feitelijk meer vragen
op dan het beantwoordt.