verschenen in: Reformatorisch
Dagblad
(19 juni 2010)
door Klaas van der Zwaag
De kerk
speelde vanaf het begin tot het eind een rol in het leven van de Nederlandse
emigranten die in de naoorlogse jaren naar Canada of de Verenigde Staten emigreerden.
Toch veranderden veel gereformeerden na aankomst in de nieuwe wereld van kerk. Dat concludeert de historicus Enne Koops in een
studie over de relatie tussen religie en emigratieculturen. Hij promoveert
volgende week dinsdag aan de Theologische Universiteit Kampen (TUK) op het
proefschrift ”De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken
naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963)” (uitg. Verloren,
Hilversum).
In het tijdvak 1947-1963 emigreerden
410.000 Nederlanders overzee, ongeveer 3 à 4 procent van de bevolking. De gereformeerden hadden
daarin een aandeel van 18 procent, zo constateert Koops, die momenteel
projectcoördinator digitalisering is bij het Roosevelt Study Center in Middelburg.
Koops laat zien hoe de kerk het
emigrantenleven van het begin af omspande: „Aspirant-landverhuizers meldden
zich zes maanden voor vertrek aan bij een emigratievereniging, bijvoorbeeld de
Christelijke Emigratie Centrale. Het Algemeen Kerkelijk Bureau van de Gereformeerde Kerken
vroeg daarna informatie over de emigranten op bij de plaatselijke kerkenraad:
hoe meelevend waren ze eigenlijk? De boordpredikanten, ”fieldmen” (mensen die
de emigranten opvingen) en eventueel predikanten in Amerika kregen vervolgens
de lijsten met emigranten, zodat zij hen konden opvangen.”
Tijdens de overtocht, die zo’n zeven
tot tien dagen duurde, zorgden speciale boordpredikanten voor pastorale
begeleiding. De
spreekuren aan boord werden doorgaans drukbezocht, stelt Koops. Bij aankomst in
Noord-Amerika stonden er zogeheten ”fieldmen” van de ontvangende kerken klaar
om hen wegwijs te maken in het nieuwe land.
Toen de boot het vanaf midden jaren
vijftig ging afleggen tegen het vliegtuig werd de opvang van de nieuwkomers
moeilijker. Vliegtuigen
kwamen op verschillende plekken en tijden aan, wat het toezicht op de
emigranten bemoeilijkte. Ook boden de veel kortere reisduur en de beperkte
ruimte in het vliegtuig geen gelegenheid voor religieuze begeleiding door
predikanten.
Koops komt tot de conclusie dat
economische factoren de belangrijkste rol speelden bij het besluit om te
emigreren. „Er
was een verlangen naar betere economische perspectieven, vooral onder boeren en
middenstanders. Het grote huizentekort, een toenemend overheidsdirigisme en het
dreigende Russische communisme baarden velen zorgen.”
Het vernieuwende van Koops’ onderzoek
is dat het de naoorlogse emigratie op de lange termijn in kaart brengt, vanaf
de 17e eeuw, en de ”gereformeerden” uitsplitst in de verschillende
bloedgroepen. „Voorheen
gooiden onderzoekers alle gereformeerden feitelijk op één hoop”, aldus Koops.
De promovendus komt met interessante
gegevens over de visie van de verschillende kerken op emigratie: „De
gereformeerde kerkleiders in de traditie van Abraham Kuyper zagen het als een
roeping om de grenzen over te trekken en het calvinisme te verbreiden. Voor Kuyper was Europa de
‘oude dame’, terwijl Amerika de toekomst had. Gereformeerden spraken vrijwel
unaniem van een emigratiegebód, gefundeerd op Genesis 1:28. Een dergelijke
cultuurstrategie, die voortsproot uit het neocalvinisme, ontbrak bij
rooms-katholieken en hervormden. Zij stonden gereserveerder tegenover emigratie
en wezen sterker op de geestelijke gevaren.”
Bij de bevindelijk-gereformeerden was
de terughoudendheid het grootst, signaleert Koops. „Bij hen was geen sprake van
emigratiegebod, maar eerder van een emigratiegebéd. Mensen moesten eerst in het
reine met God komen en in hun gemoed weten of zij konden vertrekken. Men was
ook bang om het oordeel te ontvluchten. Zoals ds. G. H. Kersten vond dat men
zich te schikken had naar de Duitse bezetter, zeiden veel predikanten dat het
kerkvolk na de bevrijding Gods oordeel over Nederland moest ondergaan. Dat
oordeel werd zichtbaar met de groei van het socialisme en het
rooms-katholicisme. Verder speelde mee dat bevindelijken in Amerika en Canada
aanvankelijk geen bijzondere scholen hadden. Ook waren in die ‘heidenlanden’
minder echte ‘kinderen Gods’ te vinden dan in Nederland.”
Ook de Gereformeerde Kerken
vrijgemaakt, nog maar net ontstaan na de scheuring binnen de Gereformeerde
Kerken in 1944, waren beducht voor emigratie. „Klaas Schilder was bang dat het
beste bloed van zijn kerkverband werd afgetapt en waarschuwde tegen emigratie.
De vrijgemaakte kerken waren nog jong. Een massale emigratie zou de doorgaande
reformatie, die resulteerde in allerlei eigen organisaties die natuurlijk
bemand moesten worden, gemakkelijk doorkruisen.
Kartrekkers als Pieter
Jongeling en Rudolf van Reest zagen landverhuizing als verlies voor het
vaderland. Uit het onderzoek blijkt echter dat kwaliteitsverlies niet aan de
orde was. De emigranten vertegenwoordigden alle lagen van de bevolking en
vormden daarvan een dwarsdoorsnede. Ze waren niet per definitie conservatief.”
Toch was er in sommige plaatsen, met
name op het platteland, zeker sprake van leegloop. Vanuit de gereformeerde kerk in
Andijk vertrokken tussen 1946 en 1954 maar liefst 433 personen naar overzeese
landen, ongeveer een kwart van alle kerkleden. Uit de kerk van Tzummarum waren
dat ongeveer 400 personen, zo’n 25 procent van de gemeente!
Koops ontdekte verder dat bijna de
helft van de gereformeerde emigranten zich binnen vijftien jaar aansloot bij
een ander kerkverband. „Dat gegeven komt niet aan de orde in de verhalen van
emigranten die zich bijvoorbeeld in eerste instantie aansloten bij de Christian
Reformed Church, de zusterkerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Uit
mijn onderzoek blijkt verder dat gereformeerden zich dikwijls ook wilden bevrijden
van de knellende banden van de kerk in hun oude vaderland. Zij waren de interne
twisten in hun moederkerk zat. Toen ze in de Christian Reformed Church kwamen,
die opnieuw verdeeld leek door allerlei kwesties, koos men vaak voor andere
kerken, zoals een presbyteriaanse variant of de United Church.”
Een ander opvallend gegeven is de
wederzijdse beïnvloeding van gereformeerden in Amerika en in hun moederland. Er kwam binnen de
Christian Reformed Church steeds meer Schriftkritiek en de kerk kreeg een ruimere
visie op homoseksualiteit en op de vrouw in het ambt, gevolg van invloed vanuit
Nederland. Koops: „Je kunt stellen dat de CRC zo’n twintig jaar achterliep op
de Gereformeerde Kerken als het gaat om deze punten. Terwijl omgekeerd het
evangelicalisme een stuk eerder ingang vond in Amerika en daarna de Nederlandse
kerken beïnvloedde. Verder zijn de verschillen echter te nuanceren. In
Noord-Amerika bleken kerkelijke verdeeldheid, kerkverlating en organisatiedrift
onder Nederlandse immigranten net zo wijdverbreid te zijn als onder de
achterblijvers.”
Op 23 juni, een dag na Koops’ promotie,
organiseert de Theologische Universiteit een congres over religie en migratie
in Nederland en Amerika (1860-1960). Er is nog voldoende ruimte voor aanmeldingen. Zie: www.adckampen.nl voor meer
informatie.
Liever
Engels dan Nederlands
Gereformeerde emigranten beseften
algauw dat snelle overschakeling op het Engels niet alleen belangrijk was voor
de integratie, maar ook om als kerk te overleven. Bij de emigranten verdween al
heel snel de kennis van de moedertaal. Van de eerste generatie spreekt 68
procent de moedertaal nog vloeiend, van de tweede generatie slechts 10 procent
en van de derde generatie nog maar 1 procent, stelt Koops.
Kerken hebben de noodzaak van deze
snelle taalomslag overgenomen van de CRC, aldus Koops. „Als je te lang aan het Nederlands
vasthoudt, verliezen kerken de tweede generatie, die qua taal wel geïntegreerd
is.” In de naamgeving van de kerk liet men vaak het woord Nederlands weg om
niet de indruk te wekken dat men hier te maken had met een etnische kerk. De
Netherlands Reformed Congregations hielden het langst vast aan hun Nederlandse
identiteit. Gehechtheid aan de ”tale Kanaäns” speelde hier een rol, aldus
Koops. Ds. A. M. den Boer schreef in 1988 nog: „Sommige ‘oudvaders’ hebben
gezegd, dat de Nederlandse taal de rijkste is om het bevindelijke leven uit te
drukken. We hebben dit persoonlijk ook ondervonden, dat er voor bepaalde
uitdrukkingen, die we kennen uit onze preken, beslist geen woord is in het
Engels.”
Waarschuwing
voor dollar en genot
„Het leven draagt daar het stempel
van dollar en genot”, zo waarschuwde de vrijgemaakte predikant Geert Janssen
(Leeuwarden) voor het leven in Canada. „Wie emigreert naar Canada, mag wel
bedenken dat hij met de zijnen terechtkomt in een land, waar de vreze des
Heeren niet de toon aangeeft en ook in vroeger jaren niet heeft gedaan. Het
leven draagt daar het stempel van dollar en genot.” Het christelijk gereformeerde
orgaan ”De Wekker” waarschuwde voor „diepe teleurstellingen” als emigranten tot
de ontdekking komen dat het kerkelijk leven in Amerika en Canada er heel anders
uitziet dan in hun vaderland.
Ds. G. A. Zijderveld, lid van de
Christelijke Gereformeerde Kerken, zag Amerika als een bedreiging voor het
zielenheil. Hij
waarschuwde vooral voor Canada, waar tot 1950 een christelijke gereformeerde
kerk ontbrak. „Laat ieder, die naar Canada wil emigreren, toch ernstig denken
aan de grote gevaren op geestelijk gebied. De noden van onze ziel moeten ons
zwaarder wegen dan de dingen van het tijdelijke leven.” Martin Romeijn, de
belangrijkste ”fieldman” van de Netherlands Reformed Congregations
(zusterkerken van de Gereformeerde Gemeenten) waarschuwde in het boekje ”Ik ga
emigreren!” (1954) voor het gevaar „dat er ligt voor hen, die emigreren naar
plaatsen waar de bevindelijke waarheid niet geliefd is.” „Indien u emigreert,
steunend op een vleselijke arm, dan zal het voor u zeker tegenvallen (…) Indien
gij emigreert, doe het onder biddend opzien!”
Zie ook het interview op de website van het Reformatorisch Dagblad.