Mijn foto
Neem inhoud van deze site over (XML)
Lid sinds 12/2008

maart 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31        
web-log.nl, powered by TypePad

Iedereen van harte welkom op mijn weblog. Hier vind je mijn portfolio: verscheidene artikelen, opiniestukken, recensies en historische nieuwsberichten die door mij geschreven zijn. Ze gaan met name over de Nederlandse geschiedenis van de 19e en 20e eeuw, religiegeschiedenis, cultuurgeschiedenis en emigratie.

  STATISTIEKEN

Mijn complete cv kun je hier downloaden (pdf)


Werkervaring


Ik heb gewerkt of werk nog steeds voor de volgende onderzoeksinstellingen, ondernemingen en bedrijven:

Ga naar de website van het Roosevelt Study Center

 

                   Promovendus (geschiedenis), Roosevelt Study Center, Middelburg
                   Projectleider digitalisering Amerikaanse tijdschriften



Ga naar de website van de Theologische Universiteit

 

             Promovendus (geschiedenis), Theologische Universiteit, Kampen



Ga naar de website van Essent   

Financieel administrateur / diensten klantenservice, Essent, Assen



Ga naar de website van het NIOD

  Historisch onderzoek Interbellumproject (stage), NIOD, Amsterdam



Ga naar de website van Transparant  Web- en beeldredacteur van het historische tijdschrift Transparant



Ga naar de website van Van Dijk Educatie


  Teksteditor / offertes EA, Tenderdesk, Van Dijk Educatie, Kampen





Ga naar de website van Prometheus-Bakker   Freelance bureauredacteur, Prometheus-Bert Bakker, Amsterdam


Ga naar de website Geschiedenis Beleven          Freelance museum- en boekenrecensent, www.geschiedenisbeleven.nl


Ga naar de website van de Gemeente Zwartewaterland

       Medewerker digitaliseringsproject "Decentrale regelgeving", Hasselt



Ga naar de website www.Debestkoop.eu     Commercieel tekstschrijver, www.debestekoop.eu, Assen


Ga naar de website van Tenderbridge

     Tekstcorrector offertes Europese aanbestedingen, Kampen



17-3-10

Museumtest: Museum Catherijneconvent in Utrecht

Museum Catherijneconvent In de historische binnenstad van Utrecht, op wandelafstand van de Dom, bevindt zich het Museum Catherijneconvent. Gehuisvest in een middeleeuws klooster en een aanliggend 18e-eeuws pand staat de locatie, aldus de folder, treffend symbool voor het uitgangspunt om een “unieke collectie" te tonen "van zowel protestantse als katholieke kunst- en cultuurvoorwerpen”. Uniek is de collectie zeker, maar de protestanten komen er nogal bekaaid van af.


Gepubliceerd op: Geschiedenis Beleven


De folder kondigt aan dat de museale verzameling van 60.000 historische objecten voor iedereen interessant is, “voor jong en oud, van kenner tot leek en van allochtoon tot autochtoon”. Omdat ik een jonge historicus ben en een geboren Nederlander behoor ik in meerdere opzichten tot de beoogde doelgroep. Nieuwsgierig geworden wandel ik onder het poortje door van de Lange Nieuwstraat 38, richting de entree.

 

De keizer én God bewierookt

De ontvangstruimte is ruim opgezet en ziet er keurig uit: een aimabel restaurantje met hapjes, drankjes en voldoende tafels voor bezoekers. Op de receptietafel ligt het nodige foldermateriaal, inclusief een plattegrond van het museum. Die leert dat het Catharijneconvent is opgebouwd uit vijf vaste themazalen: ‘Feest! Weet wat je viert’, ‘de Schatkamer’, ‘Middeleeuwse meesterwerken’, ‘Christendom in Nederland’ en ‘Utrecht, culturele hoofdstad van de Middeleeuwen’.


‘De Schatkamer’ is prachtig ingericht. Deze ruimte is gevestigd in een gewelfde kelder die schitterend verlicht is en daardoor de uitstraling heeft van een echte schatkamer. Er zijn honderden unieke gouden en zilveren artefacten te vinden uit de christelijke geschiedenis, zoals enkele fraaie ‘aquamaniles’: waterkannetjes voor het handenwassen tijdens de eredienst. Prachtig zijn ook enkele ‘monstransen’, voorwerpen van edelmetaal waarin de heilige hostie werd aangetoond.

 

Interactieve kracht

Een andere kostbaarheid van ‘de Schatkamer’ zijn enkele kazuifels, bisschoppelijke gewaden voor de katholieke eredienst. Deze middeleeuwse mantels liet men in het buitenland met goud borduren, zoals het exemplaar van de Utrechtse bisschop David van Bourgondië (eind 15e eeuw) dat tot in de jaren 1960 in Nederland gedragen werd. Vrijwel alle kazuifels zijn echter omgekomen in de maalstroom van de tijd, omdat de katholieken de waardevolle goudvezels eruit haalden en terugsmolten tot goud.


Wie een duf museum verwacht, haalt tijdens de rondgang door het Catharijneconvent opgelucht adem. Het museum, gesticht in 1979 en compleet heringericht in 2006, biedt veel interactieve applicaties. Zoals een audiotour (die overigens niet alle voorwerpen toelicht), touchscreens en zowaar een trekautomaat met religieus fastfood uit de hindoeïstische, joodse, christelijke en islamitische traditie.

 

Het thema de ‘Middeleeuwse meesterwerken’ is te vinden in de oude eetzaal van het klooster, de Refter. In deze zaal bevindt zich een aantal topstukken van het museum, zoals de indrukwekkende houten heiligenbeelden. De voornaamste pronkstukken zijn echter het wereldberoemde Middelrijns altaarstuk (circa 1410), een storyboard dat in tien portretten de hoogtepunten uit het Nieuwe Testament laat zien, evenals een levensgroot beeld van de katholieke beschermheilige van reizigers Christoffel, uit 1520.


Museumtest_catharijneconvent_refter

Utrechtzalen
Als ik even later de Utrechtzalen binnenloop zijn de verwachtingen hooggespannen. Deze zalen zijn in 2009 nieuw opgeleverd en moeten een idee geven van Utrecht als culturele hoofdstad van de Middeleeuwen. Niet alleen is het thema wat hoog gegrepen, Utrecht was vooral belangrijk voor de wijde omgeving, ook had ik in deze zaal meer historische informatie verwacht. Bijvoorbeeld een antwoord op de vraag wat het nu betekende om een ‘gewone’ katholiek te zijn in middeleeuws Utrecht: hoe zag de religieuze beleving van leken eruit?


De Utrechtzalen zijn overigens wel volop interactief, met een webspel voor kinderen, touchscreens en een mooie e-reader die het mogelijk maakt om historisch tekstmateriaal door te bladeren als de Lebuïnuscodex uit 773, het oudste boek van het museum. Volgens de overlevering betreft het een handschrift van de Angelsaksische missionaris Lebuïnus, waarmee hij in de achtste eeuw de heidenen in de Nederlanden bekeerd zou hebben. Vermoedelijk is dit boek echter pas na zijn dood vervaardigd.

 

Historische onbalans

De themazaal ‘Christendom in Nederland’, gevestigd in enkele oude kloostergangen, stelt daarentegen teleur. Deze sectie, zo belooft de internetsite, vertelt het verhaal van het christendom in Nederland. Het christendom staat hier echter synoniem voor het katholicisme, waardoor het protestantisme minimale aandacht krijgt, bijvoorbeeld thema’s als de Reformatie, Beeldenstorm en verzuiling.

Enigszins begrijpelijk is dit wel gezien het feit dat het protestantisme een stuk soberder was dan het katholicisme. Het resultaat is wel een historische onbalans: het Museum Catharijneconvent blijkt vooral een kunstmuseum te zijn dat de visuele ervaring centraal stelt en niet de historische inhoud. Dit wekt bij de historisch geïnteresseerde bezoeker een ‘art pour l’art-gevoel’ op: kunst, puur om de kunst.

Conclusie
Opbouw en samenstelling van de collectie doen het verleden dus geen recht. Dit neemt niet weg dat het Catharijneconvent een visuele sensatie is, met maar liefst 60.000 objecten waaraan je jezelf gemakkelijk een ochtend of middag kunt vergapen.


Gemiddeld eindcijfer: 7,1

Beoordeling op: woensdag 17 februari 2010

Recensent/auteur: Enne Koops


* Het eindcijfer komt tot stand aan de hand van een gewogen scoremodel n.a.v. een rondgang door het museum. We letten tijdens de beoordeling o.a. op klantvriendelijkheid, het gebruik van multimedia, de presentatie, bewegwijzering, de faciliteiten en we bekijken kritisch of er een verhaallijn in de presentatie zit. Niet alle onderdelen tellen even zwaar mee. Zo zullen hygiëne of de entreeprijs nooit zwaarder wegen dan bijvoorbeeld de kwaliteit van de collectie.

 

 

3-3-10

Churches Reach Across Borders

“Emigration Culture” as a Concept to Analyze Religious Aspects of Emigration

 

The complete article will be published in 2010 in: Jack Nyenhuis en Susanne Sinke (eds.), Across Borders. Proceedings of the Biennial Conference of the AADAS (American Association for the Advancement of Dutch-American Studies) (Holland, MI: Van Raalte Institute, 2010). 

Introduction

Between the late 1940s and early 1960s about 410,000 inhabitants of the Netherlands settled overseas. A Washington National Cathedral large part of this group, 55 percent, went to Canada (147.000) and the United States (76.000), while the other 45 percent settled in countries like Australia, New Zealand and South Africa. A remarkable fact is that 25 to 30 percent of the Dutch post-war immigrants in North America were gereformeerden (Calvinists), who were predominantly affiliated with the Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN, Reformed Churches in the Netherlands). People from the Nederlandse Hervormde Kerk (NHK, Dutch Reformed Church), the Catholic Church and from smaller Calvinist denominations were less eager to cross the ocean, compared to the gereformeerden from the GKN, namely: the Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKV, Reformed Churches Liberated), de Gereformeerde Gemeenten (Netherlands Reformed Congregations), and the Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK, Free Reformed Churches).

These remarkable differences in emigration behaviour – which will be numerically elucidated further on in this article – raise the question which religious factors stimulated or hampered Dutch overseas migration. To help find an answer to this question, this article employs the method of “emigration culture”. This term has been used before by scholars in the field of sociology and history, but by providing an original definition and new fulfilment this strategy could lead to a better understanding of migration.[1] It becomes possible to examine migration on two comparative levels: temporal (comparing migration throughout different periods) and categorical (comparing the migration of different cultural or religious groups).

The first paragraph introduces the short history of the term, a workable definition and a proposal how this method could be used to analyze migration processes. The next part summarizes the main added values of the concept. The following three paragraphs provide implementations of the concept by presenting the most important conclusions of my PhD Finally, suggestions are made how scholars could use “emigration culture” as a method for their studies.

 

Emigration Culture

Most temporary scholars agree that emigration is foremost a cultural phenomenon, and not just a physical movement from point A to B. About one decade ago, for instance, prominent scholars argued that “migration events relate to an individuals whole life – both past experiences and projected future expectations – and tend to have a wide variety of causes (…). This sense of embeddedness makes migration a very cultural event: migration is both a reflection of culture and a constitutive element of culture.”[2] The historians Cornelis van Minnen and Sylvia Hilton have stated that mobility and migration cannot be understood properly without taking into account its cultural aspects.[3]

Although most sociologists and historians agree about the importance of the cultural character of migration, and even have used the term “emigration culture” for their research (or variations on it), they did not define a workable method nor utilize the concept. The American historian David A. Gerber uses the term only in an attentive way in his book Authors of Their Lives.[4] David A. Gerber The same is true for the Dutch sociologist J.H. Elich in his standard work about Dutch post-war emigration to Australia.[5] Just recently, two American sociologists have proposed to use the term “culture of emigration” to analyze short periods of migration on a quantitative level, with an emphasis on gender relations. However, these scholars did, again, neither develop an analytic method which could be used by historians to examine migration from a long term perspective, nor a system that could be utilized to understand the cultural and religious aspects of migration processes.[6]

 

“Emigration culture” could be defined as “the presence of experiences and stories about emigration within a cultural group and the transformation of those aspects into positive or negative action.” In others words: an emigration culture is embedded in past experiences of group members, survives through stories within that group, and leads – or does not lead – to action: organization, and as a final result: emigration or staying at home.

I discern four building blocks to measure the strength or weakness of an emigration culture: emigration tradition (experiences with emigration in the past), public opinion (positive or negative stories about emigration that circulate within a group and are based on a certain world view), organization (action or not) and – as a final result of these factors – the total size of emigration from a specific group or culture. Besides these factors, the growth of “emigration cultures” is fed or hampered by what could be referred to as “general conditions”. These conditions cannot explain the differences between the emigration cultures of the various cultural or religious groups, but they help to outline the broader framework which is necessary to understand why emigration in general occurred. Push and pull factors are part of these “general conditions”, for instance, related to post-war Europe: bleak economic prospects in the homeland, the attraction of the receiving countries, government laws, an active emigration or immigration policy, the threat of a third world war, et cetera. Without these general conditions, emigration would not have taken place at all.

(c) Enne Koops, 2009-2010

[1] In the introduction of my PhD I have worked out this method extensively. This dissertation will be published in the spring of 2010 by publisher Verloren in Hilversum, the Netherlands, under the (Dutch) working title “De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963).”

[2] P. Boyle, K. Halfacree and V. Robinson, Exploring Temporary Migration (New York: Longman, 1998), 207.

[3] Cornelis A. van Minnen and Sylvia L. Hilton, “The Rocky Road to Greener Grass. Mobility in U.S. History. An Introduction” in: idem and idem (eds.), Mobility in U.S. History. Nation on the Move (Amsterdam: VU University Press, 2002), 1-15, here 2.

[4] David A. Gerber, Authors and Their Lives. The Personal Correspondence of British Immigrants to North America in the Nineteenth Century (New York and Londen: New York University Press, 2006), 92.

[5] J.H. Elich, Aan de ene kant, aan de andere kant. De emigratie van Nederlanders naar Australië 1946-1986 (Delft: Eburon, 1987), 31, 85.

[6] William Kandel en Douglas S. Massey, “The Culture of Mexican Migration: A Theoretical and Empirical Analysis,” Social Forces 80.3 (March 2002): 981-1004, aldaar 981; Liesbeth Heering, Rob van der Erf and Leo van Wissen, “The Role of Family Networks and Migration Culture in the Continuation of Maroccan Emigration: A Gender Perspective,” Journal of Ethnic and Migration Studies 30:2 (March 2004): 323-337.


6-2-10

Recensie Gevierde Friezen in de Verenigde Staten

Cover Gevierde Friezen in Amerika In ruim 60 portretten en artikelen schetst dit boek de hoogtepunten in de 400-jarige betrekkingen tussen Friesland en de Verenigde Staten, aan de hand van beroemde Amerikaanse Friezen. Een van hen is Barack Obama, die volgens geruchten afstamt van de Friese familie Obbema. Is dit een broodjeaapverhaal of werkelijkheid?

Als er één ding is dat de bundel Gevierde Friezen in Amerika duidelijk maakt, is het dat Friezen en Amerikanen veel gemeen hebben: hun vrijheidsdrang, een traditie van federalisme en decentralisme, vlaggen die op elkaar lijken en hun talen.

Ook in historisch opzicht zijn er ontmoetingen geweest. Zo was Friesland na Frankrijk de tweede ‘soevereine staat’ die in april 1782 de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten erkende. En de Fries Albert Kuiper bouwde in 1896 Siegel & Cooper, het grootste warenhuis van New York met een grote vuurtoren. Ook bestaan in Amerika nog steeds vijf plaatsen met de naam Friesland of variaties daarop. Zelfs is er een donut naar een Fries vernoemd: de “Krolyer” of “Cruller”. Deze houdt de 17e-eeuwse gouverneur van Nieuw-Nederland Bastiaen Krol in herinnering.


Films en Fords

De bundel is voortreffelijk geïllustreerd en bevat diverse lezenswaardige bijdragen. Een voorbeeld daarvan is het fraaie artikel van de historicus Jaap Jacobs over Pieter Stuyvesant, van 1647 tot 1664 de “kundige en capabele” directeur van Nieuw-Amsterdam, het huidige New York. Jacobs komt tot de slotsuggestie dat Stuyvesant, hoewel hij Friesland nog diverse keren bezocht, wellicht meer voor Friesland heeft betekend dan andersom. Andere mooie bijdragen zijn die van Huisman over de filmsterrenfamilie van Jane Fonda, Galema over de 19e-eeuwse Friese emigratie en De Haan over voormalig Ford-president John Dykstra.

 

Frieslân boppe-achtig

Wat echter in het oog springt, is het kwaliteitsverschil van de artikelen. Er zitten namelijk ook bijdragen tussen die ronduit slecht geschreven zijn. Verder is de bundel niet strak geredigeerd en staan er nogal wat storende taal- en spelfouten in.

 

Problematisch is de afbakening van het begrip Fries: drie generaties nakomelingen van Friezen worden als Fries beschouwd. Echter, de redacteuren geven aan in een aantal gevallen ook personen met een langduriger afstamming tot die categorie te rekenen. De definitie van wie een Fries is blijft hierdoor mistig. Ook doet de term ‘gevierd’ uit de titel nogal Frieslân boppe-achtig aan: alleen geslaagde Friezen komen aan de orde, met als gevolg dat het boek “een parade der prominenten” wordt. Van een evenwichtige, wetenschappelijke geschiedschrijving is daarom geen sprake.

 

Barack Obbema?

Aardig is dat Gevierde Friezen in Amerika een aantal broodjeaapverhalen de wereld uithelpt, zoals de bewering dat de Amerikaanse vlag gebaseerd is op de Friese (de overeenkomsten zijn nogal treffend) en het sprookje over Barack Obama dat de De Volkskrant in februari 2008 lanceerde. Obama zou een verre nazaat zijn van Jelle Obbema, een Fries die rond 1800 in Kenia een fortuin maakte in de pepermuntolie-industrie (hij was een van de grondleggers van het merk King) en er nogal wat Afrikaanse maîtresses op nahield. Ook Baracks atletische gaven zouden aan zijn Friese roots te danken zijn. Om het verhaal nog mooier te maken, werd zelfs beweerd dat Obama de verkiezingsleus “Yes, we can!” ontleend heeft aan het familiecredo van de Obbema’s “Ja, wy kinne”. Een fantastisch verhaal, maar natuurlijk je reinste kolder. Tsja, ook de wakkerste krant van Nederland is wel eens slaperig.

 

Gevierde Friezen in Amerika is de moeite van het lezen meer dan waard. Helemaal voor het fatsoenlijke bedrag waarvoor het boek in de schappen ligt. Met inachtneming van de genoemde wetenschappelijke reserves kan dit boek als een aanrader betiteld worden.

 

Peter de Haan en Kerst Huisman (red.), Gevierde Friezen in Amerika (Leeuwarden: Friese Pers Boekerij, 2009),
ISBN 978-90-330-0828-3, 319 blz., € 24,95.

 

© Geschiedenis Beleven / Enne Koops


28-1-10

Recensie Friso Wielenga - Nederland in de 20e eeuw

Helder overzichtswerk Nederlandse geschiedenis in 20e eeuw

 

Online publicatie voor Geschiedenis Beleven

Covernederlandindetwitnigsteeeuwfri Nederland in de twintigste eeuw biedt een uitstekend, meeslepend geschreven overzicht van de moderne Nederlandse geschiedenis. Maar de titel van het boek is enigszins misleidend.

 

Het boek is geschreven door Friso Wielenga, directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien in Münster. Hij schetst een helder beeld van de politieke en economische hoofdlijnen van ons land uit de laatste 150 jaar. Aardig is dat het boek telkens bijzondere details naar voren haalt die in veel historische handboeken achterwege blijven, zoals de invoering van een standaard kloktijd in 1909, toen landelijk de ‘Amsterdamse tijd’ ging gelden. Kort na de inval in 1940 verving de Duitse bezetter deze tijdsnorm voor de ‘Midden-Europese tijd’.

 


Mooie voorbeelden biedt de auteur ook met zijn beschrijving van de economische modernisering van Nederland in de jaren 1910 en 1920, via de KLM, Fokker en Unilever. En de talloze dwarsverbanden die hij legt tussen de Nederlandse en Duitse geschiedenis zijn overtuigend.

 

Geen Europese provincie

Zoals gemeld is Wielenga goed op de hoogte van de secundaire bronnen. Zo betoogt hij dat Nederland tijdens het interbellum (1918-1939) deel uitmaakte van “het moderne dynamische cultuurpatroon dat zich in andere westerse landen voltrok”. De auteur laat zien hoe Nederland zich in de jaren 1920 en 1930 sterk op de situatie in Duitsland oriënteerde: kritiek op nazi-Duitsland bleef in economische sectoren vaak achterwege om de handelsbetrekkingen met de oosterburen veilig te stellen. Dit inzicht sluit naadloos aan bij de veldwinnende gedachte in historisch Nederland dat het land tussen beide wereldoorlogen geen Europese provincie was, maar deelde in de continentale ontwikkelingen.

 

Misleidende titel

De titel is om twee redenen wat misleidend. Die suggereert, ten eerste, dat de lezer een totaalgeschiedenis in handen heeft, terwijl vooral de politieke en economische hoofdlijnen centraal staan. De auteur licht dit wel toe, maar beargumenteert deze keuze onvoldoende. Aandacht voor culturele ontwikkelingen – zoals rock-’n-roll, Dolle Mina, sport en technologie – had het boek meer cachet gegeven.

 

Ten tweede begint Wielenga’s geschiedverhaal rond het midden van de negentiende eeuw. Die keus is volkomen terecht omdat de wortels van de moderne structuren van de Nederlandse politiek en economie in die periode te traceren zijn, maar had wel in de titel verdisconteerd mogen worden.

 

Meeslepend

Hoewel dit boek geen nieuwe bronnen ontsluit en alleen recente secundaire literatuur herhaalt, doet de auteur dat wel op een manier die respect afdwingt. Wielenga heeft een duidelijke en overtuigende visie, en slaagt er met zijn meeslepende schrijfstijl in de lezer te boeien. Daarbij maakt de auteur goed duidelijk wanneer zich continuïteit voordeed of waar de belangrijkste breukvlakken van de twintigste-eeuwse politieke en economische geschiedenis lagen. Dat kenmerkt goede historische boeken.

 

Deze lovende woorden betekenen echter niet dat hét standaardwerk over de 20e-eeuwse Nederlandse geschiedenis – waarnaar emeritushoogleraar Vaderlandse geschiedenis in Leiden J.J. Woltjer een gooi deed met Recent verleden. De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw (1992) – nu het levenslicht heeft gezien. Die geschiedenis moet nog steeds geschreven worden.

 

Auteur: Enne Koops

 

Friso Wielenga, Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam: Boom, 2009)

ISBN 978-90-850-6714-6, 362 blz., 24,90 euro

 

 

Aankondiging en algemene literatuur dissertatie "De dynamiek van een emigratiecultuur"

Intro van de film Mijn neef in Canada uit 1952 In april/mei 2010 verschijnt bij Uitgeverij Verloren in Hilversum mijn proefschrift De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963).

Bekijk alvast de vooraankondiging van de uitgever.

Download de algemene literatuurlijst in pdf of in Word


De flaptekst luidt als volgt:

 

"Van 1947 tot 1963 emigreerden bijna 410.000 Nederlanders overzee, van wie de meerderheid zich vestigde in Canada of de Verenigde Staten. Onder hen bevonden zich opvallend veel meer gereformeerden dan hervormden en katholieken. Deze gereformeerden, zo laat Enne Koops in zijn boek over deze uittocht zien, waren vooral afkomstig uit de Gereformeerde Kerken in Nederland en minder uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten.

Koops brengt de stimulerende en remmende factoren van christelijke emigratieculturen in kaart. Hij volgt de katholieke, hervormde en gereformeerde emigratieculturen van het begin tot het eind en vergelijkt deze op het niveau van emigratietraditie, visie, organisatie en emigratiebereidheid. Ook worden de religieuze aspecten van het emigreren zelf, per schip en vliegtuig, aan de orde gesteld. Ter afsluiting behandelt Koops de kerkkeuze en de integratie van Nederlandse geloofsgroepen in Noord-Amerika.


5-1-10

De gereformeerde, katholieke, socialistische en liberale houding t.a.v. het actieve emigratiebeleid van de Nederlandse overheid (1949-1962)

 

Enne Koops

 

In de jaren na Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse samenleving in de ban van het fenomeen emigratie. In de periode 1946-1963 emigreerden bijna 410.000 Nederlanders — ongeveer 3 à 4% van de totale Nederlandse bevolking — naar overzeese landen, waarvan 147.500 de wijk naar Canada namen (36%) en 76.200 hun toevlucht tot de Verenigde Staten zochten (19%). De overige 45% van de emigranten koos voor bestemmingen als Australië, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland of Brazilië. Deze reislustigen hadden tal van motieven om Nederland te verlaten: de economie verkeerde na de oorlog in een crisis, er was een gebrek aan landbouwgrond en huizen, en het internationale politieke toneel had een onheilspellend aanzien (Koude Oorlog, Nederlands-Indië), terwijl landen als Canada, de Verenigde Staten en Australië vanwege hun voorspoed, ruimte en vrijheid een sterke aantrekkingskracht uitoefenden. Binnen dit emigratieklimaat voerde de Nederlandse regering van 1949 tot 1961 een actief emigratiebeleid. Zij deed dit in de eerste plaats vanuit de gedachte dat emigratie verlichting bood voor de bevolkingsdruk, die al decennialang de gemoederen van Nederlandse opiniemakers bezighield en in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog een kookpunt bereikte met de babyboom. Ten tweede wilde de overheid via haar actieve emigratiepolitiek de werkloosheid onder agrariërs en laag- of ongeschoolde arbeiders bestrijden. Emigratie werd in dit verband beschouwd als een vorm van internationale arbeidsbemiddeling en als een verlengstuk van de industrialisatiepolitiek, die eveneens in 1949 aanving en hetzelfde doel diende, namelijk om het aantal arbeidsplaatsen in Nederland te vergroten.

In dit artikel staat het actieve emigratiebeleid van de Nederlandse regering centraal, waarbij de vraag luidt welke reacties dit beleid opriep bij verscheidene levensbeschouwelijke groepen in Nederland, specifiek de gereformeerden, katholieken, socialisten en liberalen. Aan de uitvoering van de actieve emigratiepolitiek is door historici en sociologen in het verleden uitvoerig aandacht besteed, maar tot een vergelijking van de respons van de genoemde bevolkingsgroepen heeft dit nog niet geleid. Met de bestaande literatuur als leidraad en door middel van aanvullend (archief)onderzoek zal in dit artikel een poging gedaan worden om deze historiografische leemte op te vullen. Het artikel bestaat uit twee delen. Eerst bezien we hoe de actieve emigratiepolitiek zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde en op welke terreinen de overheid ingreep. Vervolgens worden de reacties van gereformeerden, katholieken, socialisten en liberalen op het naoorlogse emigratiebeleid van de Nederlandse regering geanalyseerd.

 

Van terughoudendheid naar een actieve emigratiepolitiek

Tot enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog was er geen sprake van een actieve bevordering van emigratie van overheidswege. De stimulering van emigratie werd in de eerste helft van de twintigste eeuw overgelaten aan het particuliere initiatief. Het waren de verzuilde organisaties, de Roomsch-Katholieke Emigratie Vereeniging (RKEV, 1925) en de Gereformeerde Emigratie Vereeniging (GEV, 1927) – na een fusie in 1938 ging deze laatstgenoemde vereniging op een bredere protestants-christelijke basis verder als de Christelijke Emigratie Centrale (CEC) –, die de emigratie van mensen uit hun achterban in goede banen trachtten te leiden. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog bleef de houding van de overheid onveranderd: zij stelde zich aanvankelijk nog steeds terughoudend op ten aanzien van de emigratie uit Nederland. De Nederlandse regering achtte een grootscheepse landsverhuizing van de agrarische beroepsbevolking ongewenst, omdat op de kleigronden in het noorden en westen op dat moment een tekort aan landarbeiders bestond. Ook de uittocht van geschoolde arbeiders was in deze periode niet toelaatbaar, omdat deze nodig waren voor de wederopbouw en industrialisatie van Nederland. Daarnaast onttrok de militaire strijd in Nederlands-Indië veel mannen aan het arbeidsproces. Wel acceptabel vond de regering de emigratie van boeren die geen eigen bedrijf konden krijgen, maar tot 1949 trad de regering op dit terrein niet bevorderend op.

In 1949 kwam er verandering in de terughoudende opstelling van de Nederlandse overheid. Waar de regering landverhuizing voor die tijd al beschouwde als een vorm van internationale arbeidsbemiddeling, als een ‘verplaatsing van arbeidskrachten’, ging zij de overzeese emigratie vanaf nu ook daadwerkelijk actief bevorderen. Deze politieke omslag had enkele oorzaken. Zo manifesteerde zich in de winter van 1948-1949 een serieuze werkloosheid onder ongeschoolde arbeiders, die de regering ervan overtuigde dat een gesubsidieerde en daardoor gestimuleerde emigratie noodzakelijk was. Niet alleen in de net genoemde beroepssector was de situatie penibel, maar ook de werkgelegenheid in het algemeen, met name in de agrarische sector en onder kleine middenstanders, kwam in Nederland onder druk te staan. Deze ontwikkeling baarde de Nederlandse politici zorgen en men vreesde dat het bedrijfsleven de bevolkingsgroei niet zou kunnen verwerken. Een andere oorzaak was het feit dat het emigratiebeleid van de overheid goed paste binnen de kaders van de dirigistische economische en politieke naoorlogse cultuur. Emigratie werd in regeringskringen voortaan beschouwd als een medeoplossing voor de bevolkingsdruk en de daaraan verwante problemen op de arbeidsmarkt, in het verlengde van het industrialisatiebeleid. De eerste industrialisatienota (1949) – tot 1963 zouden er in totaal acht verschijnen – verwoordde deze nieuwe benaderingswijze. Deze nota was opgesteld door de Minister van Economische Zaken J.R.M. van den Brink, die meende dat een combinatie van industrialisatie en emigratie de mogelijkheden op de arbeidsmarkt zou vergroten en een tegenwicht zou bieden tegen de snelle bevolkingstoename. In de nota van 1949 viel te lezen dat de Nederlandse overheid streefde naar een emigratiesaldo van 10.000 personen per jaar. In de derde industrialisatienota, uit 1952, was het aantal personen dat zou moeten emigreren om het geschatte tekort op de arbeidsmarkt te compenseren al opgeschroefd tot 60.000.


Gepubliceerd in: Leidschrift 22.1 (april 2007) 141-165.

Het complete artikel met voetnoten kun je hier downloaden (pdf)


29-12-09

Twitter





Modernisering, beeldvorming en ervaring. Nederlandse emigratie naar de Verenigde Staten (1840-heden)

Het complete artikel met voetnoten kun je hier downloaden (pdf)


InleidCover Groniek Amerika en Nederlanding

Tussen 1910 en 1930 verdween de term “landverhuizer” (die in 1817 voor het eerst opdook in officiële stukken) uit het gangbare Nederlandse vocabulaire en maakte plaats voor het neutralere en modernere woord “emigrant”. Deze begripsverandering weerspiegelt een verschuivende beeldvorming over emigratie, van negatief naar positief. Veel negentiende-eeuwse Nederlanders etiketteerden landverhuizers als zielepoten, lafaards of misdadigers. Die schurken lieten immers een land in nood achter, zonder mee te werken aan herstel?! Daarom: “Weg met hen!” Niet voor niets betekende het acroniem NASM – de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (1872) – in de volksmond “Neemt Alle Schurken Mee!”

In de twintigste eeuw, speciaal na de Tweede Wereldoorlog, kregen mensen die naar het buitenland vertrokken over het algemeen een veel positiever imago: ze werden door de massa niet meer gezien als vluchtelingen, maar als avonturiers, durfals of harde werkers, in elk geval als moderne mensen. Typerend voor deze visie is een kreet in het Friesch Dagblad in 1955, dat terugblikkend op de overzeese trek in de voorgaande jaren zijn lezers toeschreeuwde: ‘Wie niet over emigratieplannen sprak, leek wel een oude sok!’

En momenteel, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, vormt emigreren ogenschijnlijk niet meer dan een onderdeel van de identiteit van de westerse mens. Iets waarover opiniemakers zich nauwelijks nog polariserend uitlaten. Volgens het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (in Amsterdam) is de postmoderne emigrant vooral een “transmigrant”, een uiterst flexibele globetrotter die voortdurend in beweging is van de ene plek naar de andere. Het maakt de facto niet meer uit waar ter wereld iemand zich bevindt: als hij of zij maar bereikbaar is, verbonden met het ‘thuisfront’ door voortdurend online, stand-by of ‘mobiel’ te zijn. Het echte thuis raakt daardoor geërodeerd.

De begripsverandering van landverhuizer, via emigrant naar transmigrant staat niet op zichzelf, maar verraadt een achterliggend moderniseringsproces. Een verschuivende typering van emigratie veronderstelt veranderingen binnen die categorie. Maar op welke terreinen deed deze modernisering zich voor? En wat waren haar gevolgen? Dit artikel schetst de grote lijnen in de modernisering van de Nederlandse emigratie naar de Verenigde Staten (1840 tot heden) en beantwoordt daarmee de vraag hoe de modernisering de beeldvorming over en de ervaring van het emigreren veranderde. Zo doende wordt aansluiting gezocht bij de huidige trend om migratieprocessen te analyseren vanuit een vergelijkend perspectief in de tijd.

Deze bijdrage definieert modernisering als een proces van maatschappelijke, culturele en politieke verandering dat aangedreven wordt door ontwikkelingen in wetenschap en technologie, met als belangrijkste verschijnselen globalisering, rationalisering, bureaucratisering, individualisering en grensvervaging tussen sociale groepen. Verschijnselen van modernisering in de overzeese emigratie deden zich voor in opeenvolgende etappes. Gekozen is voor een indeling in zes perioden. Van deze perioden worden telkens de belangrijkste aspecten van de modernisering naar voren gehaald: 1840-1870 (landverhuizersverenigingen), 1870-1914 (stoomschepen), 1914-1940 (maatschappelijke organisaties), 1940-1960 (geplande emigratie), 1960-1995 (vliegtuigen) en 1995 tot heden (internet).

 

1840-1870: landverhuizersverenigingen

Om de landverhuizing vanaf 1840 in perspectief te plaatsen, wordt begonnen met een paar pennenstrepen over de periode die daaraan voorafging. Van het begin van de Gouden Eeuw – toen de Republiek op het grondgebied van het huidige Manhattan de handelskolonie Nieuw-Nederland stichtte – tot 1840 stelde de emigratie vanuit de Nederlanden naar Amerika maar weinig voor. Het ging om ongeveer 12.000 mensen, voornamelijk Walen en hugenoten. Transatlantische verhuizingen stonden veelal in een commercieel en militair perspectief: naar Amerika vertrokken hoofdzakelijk handelslieden, soldaten en boeren. Zij stonden veelal in dienst van de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie, of onderhielden daarmee betrekkingen. Toen de Republiek haar kolonie in 1664 tijdelijk en – na een korte herovering tijdens de Derde Engelse Oorlog – in 1674 definitief aan de Engelsen verloor, droogde de Nederlandse landverhuizing naar Amerika vrijwel geheel op.

In de negentiende eeuw kreeg de landverhuizing naar de Verenigde Staten een modernere aanblik. Een emigratiepiek in 1847 markeerde de overgang van Nederland van een immigratie- naar een emigratieland. Van 1840 tot 1870 emigreerden bijna 35.000 Nederlanders naar de Verenigde Staten. Naast economische en godsdienstige factoren maakte een aantal moderniseringen deze omslag mogelijk. Zo richtten talloze burgers in de jaren 1840 “verenigingen” op, een nieuw verschijnsel dat beroepsgroepen, onderwijsprojecten of filantropische activiteiten samenbracht. Deze moderne organisatievorm werd ook gebruikt bij groepsemigraties uit Nederland, met de “landverhuizersvereeniging” als samenbindende factor. De afgescheidenen, de protestanten die vanaf 1834 uit de Nederlandse Hervormde Kerk traden, liepen hierbij voorop, met aan het roer predikanten als Albertus van Raalte Albertus van Raalte en Anthony Brummelkamp. Deze Gelderse voorgangers stichtten in april 1846 de “Vereeniging van Christenen voor de Hollandsche Volksverhuizing naar de Vereenigde Staten in N. Amerika”, die landverhuizers assisteerde bij het boeken van hun reis, het kiezen van een bestemming, landaankoop en het oprichten van kerken en scholen in het land van aankomst.

Tegelijkertijd zorgde moderne wetgeving in de Verenigde Staten, speciaal de Pre-emption Act (1841) en de Homestead Act (1862), voor de uitgave van grote stukken grond aan immigranten. En het uitdijende Amerikaanse spoorwegnetwerk garandeerde een steeds verdere verspreiding van de nieuwkomers over het Amerikaanse territorium. Onmisbaar voor het in het vizier komen van de Verenigde Staten was ten slotte nog de aanzwellende informatiestroom over dat land vanaf het begin van de negentiende eeuw. Nieuwsberichten, emigrantengidsen, reisverslagen, brieven en vertaalde romans stelden het onafhankelijke Amerika aan Nederlanders voor als het ultieme Utopia en voorzagen in een toenemende behoefte aan informatie over de ‘Nieuwe Wereld’.

Ondanks de modernisering in de jaren 1840-1870 hadden landverhuizers die richting de Verenigde Staten gingen een overwegend negatief imago. Vooral liberalen wierpen zich op als fervente criticasters: de landverhuizer zou een overmoedig menstype zijn, was alleen maar uit op het grote geld en – ook belangrijk – als hij niet naar de eigen Nederlandse koloniën trok liet de landverhuizer zijn moederland in economisch en cultureel opzicht in de steek. In 1847 verwoordde de Drentsche Courant deze kritiek:

 

‘Thans gaan zij die den geboortegrond verlaten, naar den vreemde, en zijn dan voor Nederland verloren; terwijl onze eigen overzeesche bezittingen zooveel aanbieden, om door vestiging en ontginning, onder doelmatige leiding, hun die zulks zouden ondernemen, voordeelig en ’t moederland nuttig te zijn.’

 

1870-1914: stoomschepen

De periode 1870-1914 kenmerkte zich door een revolutie in de technologie en het transportwezen en – daartoe gepusht door ernstige landbouwcrises in Europa – een massale trek richting Amerika van ongeveer twintig miljoen Europeanen. Onder hen bevonden zich 138.000 Nederlanders, 0.7 procent van het totaal. In het recordjaar 1907 verwerkte de grenspost Ellis Island bij New York 1.3 miljoen nieuwkomers.

De triomf van het moderne stoomschip op de zeilboot maakte deze massamigratie mogelijk. Het nieuwe scheepstype, dat vanaf de jaren 1840 een stevige opmars maakte, bood een voorheen ongekende capaciteit en snelheid. Het stoomschip kon tienmaal zoveel passagiers vervoeren als een zeilschip en bracht de reisduur terug van vijf tot minder dan twee weken. Voorts werd de Atlantische overtocht een stuk veiliger: het gemiddelde sterftecijfer onder opvarenden decimeerde van 1 tot 0.1 procent. Ten slotte verbond de Nieuwe Waterweg in 1872 Rotterdam met de Noordzee, terwijl in datzelfde jaar de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij het levenslicht zag, die een reguliere vaart op het traject Rotterdam-New York introduceerde.Nederlandsch Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij - NASM

Deze verbeteringen op het gebied van technologie, transport en infrastructuur betekenden dat de overtocht naar Amerika veranderde van een onzeker avontuur in een voorspelbare expeditie. De reis verliep een stuk sneller, maar was daarmee nog geen luxe ervaring, althans tot ongeveer 1900. Tot dat moment reisden de landverhuizers vrijwel allemaal derdeklas, op elkaar gestouwd op het weinig comfortabele tussendek (steerage). Na 1900 kozen de wegtrekkers die het zich konden veroorloven voor een tweedeklasticket; het tussendek bleef de verblijfplaats van de allerarmsten.


Een belangrijk kenmerk van modernisering was dat het stoomschip het individualiseringsproces onder de landverhuizers bevorderde. De groepsreizen per zeilboot – waarop iedereen elkaar kende, de homogeniteit groot was en men dagelijks gezamenlijk psalmen zong en uit de Bijbel las (vooral tijdens oceaanstormen) – maakten plaats voor een overtocht waarop massaliteit en heterogeniteit de toon aangaven. De massaliteit introduceerde het verschijnsel van de anonieme reiziger. De heterogeniteit versterkte dit nog: de opvarenden kwamen voortaan uit verschillende Europese landen en culturen. Ten slotte deed het stoomschip de religieuze begeleiding door predikanten verdwijnen. De drukke tussendeks boden hiervoor onvoldoende ruimte en gelegenheid. Pas na de Tweede Wereldoorlog zouden boordpredikanten weer een betekenisvolle rol spelen op emigrantenschepen richting Noord-Amerika, Australië en Zuid-Afrika.

De opmars van het stoomschip leidde ertoe, om het woord van de migratiehistoricus Hans Krabbendam te gebruiken, dat de emigrant steeds meer op een “product” ging lijken. Zo ervoeren de landverhuizers het zelf ook vaak: de overtocht was voor velen een zure appel waar ze doorheen moesten bijten om bij de zoete appel uit te komen: het Amerikaanse Utopia. En ook de Nederlandse publieke opinie beschouwde Amerikagangers overwegend als producten, in extremo zelfs als afvalproducten: “Neemt Alle Schurken Mee!”. Maar deze beeldvorming stond op het punt te veranderen.

 

1914-1940: maatschappelijke organisaties

Historici hebben het tijdvak 1914-1940 vaak beschouwd als een episode in de Nederlandse geschiedenis waarin weinig tot geen modernisering plaatsvond, een idee die vijf jaar geleden overtuigend is bijgesteld door het NIOD. Op het eerste gezicht lijkt van een ontbrekende dynamiek en daarmee modernisering ook sprake wat de Nederlandse trek naar de Verenigde Staten betreft. Omdat de Amerikanen door de invoering van strikte immigratiequota hun grenzen voor nieuwkomers op een kier zetten, liep de overzeese migratie terug met een derde, van een jaarlijks gemiddelde van 3.000 naar 2.000. In totaal vestigden zich van 1914 tot 1940 ongeveer 56.000 Nederlanders in Amerika, hoofdzakelijk in de jaren 1910 en 1920.

De teruglopende getallen leken de emigratiecultuur in Nederland te verzwakken. Echter, het verschijnsel “verzuiling” nam in haar kielzog de oprichting van allerlei landverhuizingsinstanties mee. Deze trend begon met de oprichting van de Nederlandsche Vereeniging Landverhuizing (NVL) in 1913. Deze en andere instanties waarborgden, in een tijd dat de overzeese landverhuizing terugliep, organisatorische continuïteit en schiepen de voorwaarde voor het ontstaan van een sterke emigratiecultuur na de Tweede Wereldoorlog. De in 1927 opgerichte Gereformeerde Emigratie Vereeniging (GEV) – die vanaf 1938 bekend werd als de Christelijke Emigratie Centrale (CEC) – slaagde hierin het best. De GEV legde in het Interbellum veel contacten met kerken en vervoersmaatschappijen in Canada (Amerika was door de quota moeilijker toegankelijk), terwijl haar leiders Taeke Cnossen en Abraham Warnaar, die tot 1965 onafgebroken aan het roer bleven van die organisatie, voortdurend naar Noord-Amerika reisden en daarmee veel praktische kennis en ervaring opdeden. Deze moderne structuren van organisatievorming, globalisering en transatlantische informatie-uitwisseling werden na de Tweede Wereldoorlog benut om de trek richting Noord-Amerika en naar andere overzeese gebieden gestroomlijnd te laten verlopen.

De organisatievorming vanaf de Eerste Wereldoorlog gaf blijk van een veranderde en modernere visie op emigratie vanuit de maatschappij. In landbouwkringen, van daaruit werd de NVL geboren, en in handelskringen – daarvandaan kwam het initiatief voor de oprichting van de Emigratie Centrale Holland (ECH) in 1923 – groeide de overtuiging dat emigratie een geschikt middel kon zijn om werkloosheid en overbevolking te bestrijden. In de jaren 1930 begon ook de Nederlandse regering de emigratie in dit licht te bezien. En de gereformeerden beschouwden overzeese emigratie als een middel tot culturele en kerkelijke ontplooiing – hoewel deze categorie een uitzondering vormde omdat zij al vanaf de negentiende eeuw deze visie aanhing. Natuurlijk bleven er tegenstanders van emigratie: voornamelijk liberalen beschouwden elke vertrekkende landgenoot als een culturele aderlating en zouden dat blíjven doen, ook ná de Tweede Wereldoorlog. Maar de meerderheid beschouwde emigranten niet meer als domkoppen of zwakkelingen. Zo was in 1915 De Economist te lezen:

 

‘Het lijdt geen twijfel, dat het gros van de emigranten, die naar Amerika verhuizen, geenszins tot het schuim van de menschheid is te rekenen, maar van sociaal-psychisch standpunt bezien in velerlei opzicht haar élite vormen. Amerika zou zich niet zo krachtig ontwikkeld hebben, als het meerendeel der emigranten uit domkoppen en zwakkelingen bestond (...) Zooals de moderne handel een altijd duidelijker internationaal karakter krijgt, en daardoor juist een der hoofdoorzaken van den wereldvooruitgang is geworden, evenzo gaat het met de moderne emigratie.’

 

1940-1960: geplande emigratie

In de eerste naoorlogse decennia bereikte het aantal overzeese emigranten uit Nederland een peil van 410.000 in de periode 1947-1963, van wie de meerderheid naar Canada ging (147.000), Australië (119.000) of de Verenigde Staten (76.000). De overige emigranten (68.000) vestigden zich in Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland of Brazilië. In totaal vertrok ongeveer 3½ procent van de Nederlandse bevolking overzee. Belangrijke motieven vormden het sombere economische toekomstperspectief, het huizentekort en de dreiging van een derde wereldoorlog.

De omvangrijke naoorlogse exodus is door de socioloog William Petersen volkomen terecht bestempeld als een tijdperk van planned migration. Waar de Nederlandse regering de overzeese emigratie reeds vóór de Tweede Wereldoorlog beschouwde als een vorm van internationale arbeidsbemiddeling en als een strategie om de bevolkingsdruk te verlichten, ging zij de uitstroom vanaf 1949 ook daadwerkelijk actief plannen en bevorderen. Dit resulteerde in de zogenoemde “actieve emigratiepolitiek”, totdat deze in 1961 onder toenemende druk van de VVD en KVP werd gestaakt: de Nederlandse economie was inmiddels weer helemaal opgefleurd en dat gaf aanleiding tot het aantrekken van meer en meer mediterrane gastarbeiders. Stimulering van emigratie was daarmee overbodig geworden.

De naoorlogse actieve emigratiepolitiek was totaal en modern. Ze ging gepaard met een enorme rationalisering, organisatievorming en bureaucratisering. Politiek-Den Haag benutte alle hulpmiddelen die voorhanden waren om de Nederlandse trek over de Atlantische Oceaan te stimuleren en reguleren (naast de activiteiten van maatschappelijke instanties). Zo sloot de regering gunstige verdragen af met de Canada, Australië en de Verenigde Staten, verstrekte zij subsidies voor de overtocht en zette zij cursussen op voor aspirant-emigranten. Dit beleid bracht zij met een breed mediaoffensief aan de man en vrouw: in de politieke arena door Willem Drees en prins Bernhard, op de radio middels het wekelijkse vrijdagavond-“emigratiepraatje” van H.A. van Luyk en in de bioscoop via het Polygoon-journaal, dat wekelijks door 10 procent van debevolking bekeken werd.

Ook buiten de grijparmen van de politiek kreeg emigratie een positiever en moderner imago. Zo stelden veel dagbladen buitenlandcorrespondenten aan in de Verenigde Staten, Canada en Australië, om de emigratieavonturen van hun landgenoten op de voet te kunnen volgen. Daarbij maakten talloze emigrantenbrieven en opinieartikelen in kranten en periodieken emigratie tot een positief gespreksonderwerp. Deze bijdragen waren veelal optimistisch getoonzet, met name in protestantse kranten als Trouw en het Friesch Dagblad, en in opiniebladen die circuleerden in katholieke kringen. Alleen de liberalen (“emigratie is cultureel verlies”), de communisten (“Amerika is kapitalistisch”) en een select groepje protestanten (“de Amerikaanse cultuur is goddeloos”) deden niet mee aan de dominante beeldvorming over de Verenigde Staten als een sociaalcultureel of economisch paradijs.

Dat de beeldvorming over de Verenigde Staten en Canada na de Tweede Wereldoorlog zo positief was, had niet alleen te maken met het uitdelen van Lucky Strikes, John Players, kauwgom en chocola door Amerikaanse en Canadeze militairen aan verarmde Nederlanders, maar ook met de modernisering op mediagebied en met de naoorlogse mondialisering van de economie. De radio – inmiddels een massamedium – spelde het woord emigratie regelmatig, de televisie rukte op en vergrootte het wereldbeeld van de kijkers, terwijl driekwart van de bioscoopfilms dat in Nederland draaide in Hollywood geproduceerd was. In oktober 1952 viel de eerste Nederlandstalige versie van Walt Disney’s Donald Duck Eerste Nederlandstalige Donald Duck 1952 gratis op alle Nederlandse deurmatten. En naast de Marshallhulp (vanaf 1947) vergrootten diverse bedrijfuitwisselingen de positieve beeldvorming over Noord-Amerika. Eind 1949, bijvoorbeeld, brachten dertien vertegenwoordigers van de drie grote vakorganisaties – het NVV, het CNV en de KAB – een oriënterend bezoek aan de Verenigde Staten om te kijken wat Nederland van het Amerikaanse economische systeem zou kunnen leren. Na terugkomst publiceerden ze de brochure Zo werkt Amerika!, die één grote lofzang was op de economie van de Verenigde Staten en in een enorme oplage van 1.345.000 exemplaren over Nederland werd verspreid. Ook veel Nederlandse boeren bezochten in de jaren vijftig en zestig de Verenigde Staten of Canada; en trokken na terugkomst vaak aandacht in de Nederlandse media.







1960-1995: vliegtuigen

In de jaren zestig begon de Nederlandse trek naar de Verenigde Staten terug te lopen van 4.000 personen per jaar naar 3.000, een gevolg van de geslaagde wederopbouw. Het decennium daarna maakte het aantal landverhuizers een vrije val naar 350 per jaar, en in de jaren tachtig werd met 310 een laagterecord bereikt. Dit hing ook samen met de implementatie van de Western Hemisphere Act in 1976, die een visumbeperking invoerde waarmee alleen nog hoogopgeleide of gekwalificeerde immigranten of personen met familierelaties het land binnenkwamen. Boeren en industrieel werkvee hadden minder kans. Bij de terugloop van de immigratie speelde ook de Vietnamoorlog een rol, waardoor Amerika een negatiever imago kreeg.

Het meest fundamentele aspect van modernisering vanaf de jaren zestig was de opkomst van emigrantencharters per vliegtuig. De concurrentie in de lucht leidde er samen met de teruglopende emigratie toe dat de Holland-Amerika Lijn zich in november 1971 gedwongen zag haar dienst op New York te staken: het aantal transatlantische passagiers zakte van 100.000 in 1960 naar 11.000 in 1970. Vanaf het eind van de jaren vijftig vloog al 40 procent van de Nederlandse emigranten per vliegtuig naar de Verenigde Staten en Canada, een percentage dat opliep naar ongeveer 85 procent in de tweede helft van de jaren zestig. Tegelijk maakte het vliegtuig het bezoeken van geëmigreerde familieleden in de Verenigde Staten een stuk eenvoudiger. Het aantal Nederlandse toeristen naar dat land steeg van 20.000 in 1963, 44.000 in 1969 en 74.000 in 1975 naar 141.000 in 1978. Een opiniepeiling gaf aan dat in 55 procent van de gevallen het bezoeken van familieleden het hoofdmotief voor de reis was.

Emigratie per vliegtuig had als voordeel dat de reistijd sterk inkortte. Het sleutelwoord van de nieuwe, moderne emigratie-ervaring was snelheid: Nederlandse globetrotters konden Noord-Amerika voortaan bereiken binnen zeven uur. Laaggeprijsde vliegtickets boden bovendien de mogelijkheid om binnen een tijdsbestek van enkele uren terug te keren naar Nederland, bijvoorbeeld voor familiebezoek of in het geval van een tegenvallende ervaring.

Maar nadelen waren er ook. Allereerst had men veel minder tijd om in psychisch opzicht de rite de passage te verwerken. Binnen zeven à acht uur stonden de landverhuizers aan de andere kant van de oceaan. Op het stoomschip duurde deze ervaring langer en bestond er meer gelegenheid om de levenstap die men maakte te verwerken. Tijdens de vaartocht kon men het hart luchten op het spreekuur van de boordpredikant of de scheepsaalmoezenier, van wiens diensten de opvarenden veelvuldig gebruik maakten. De emigrantencharters van de KLM enandere vliegmaatschappijen maakten een einde aan de inzet van deze geestelijke intermediairs.

In de tweede plaats was de capaciteit van emigrantenvluchten met ongeveer 60 personen veel geringer dan die van stoomschepen, die in één vracht 1.500 tot 2.000 personen de oceaan overbrachten. Er kwamen dan ook veel vaker vliegtuigen aan, wat bijvoorbeeld de Noord-Amerikaanse immigrantenkerken de vraag opleverde hoe hun geloofsgenoten bij aankomst op te vangen. Zo schreef John Opmeer, predikant in de Reformed Church in America (RCA) – een kerkgenootschap dat begin zeventiende eeuw in de kolonie Nieuw-Nederland gesticht was – over de opvang van de nieuwkomers:

 

‘Als we geen contact met hen leggen bij aankomst of in de eerste dagen daarna, verliezen we de eerste en beste kans om deze emigranten een spiritueel thuis te bieden. Dit is een probleem (...) dat alleen maar groter zal worden nu het aantal emigranten dat per vliegtuig in Noord-Amerika aankomt blijft groeien.’

 

1995-heden: internet

Na de millenniumwisseling begon de emigratie weer aan te trekken en bereikte een historisch niveau in 2006, toen ruim 132.000 Nederlanders van land verhuisden. De huidige trek vertoont een aantal overeenkomsten met de jaren vijftig. Allereerst is er tegenwoordig weer veel media-aandacht voor emigratie: men denke aan televisieprogramma’s aan Ik vertrek (TROS), Geen weg terug (EO) en de jaarlijkse Expat-beurzen. Een tweede parallel is de motivatie van landverhuizing vanuit “een gevoel van bedreiging”. De vrees voor een Russische inval – die in de jaren vijftig emigratiepieken veroorzaakte – heeft plaatsgemaakt voor een wijdverbreide angst voor terroristen. Dat het aantal aanvragen voor emigratie na de moord op Theo van Gogh in november 2004 met een factor vijf toenam, verbaast dan ook niet.

Tussen de exodus van de jaren vijftig en de huidige situatie bestaan echter vooral verschillen. Allereerst is de tegenwoordige uittocht uit Nederland vooral intra-Europees (70 procent kiest voor een Europees land), wat mogelijk is geworden door het wegvallen van de Europese grenzen sinds Die Wende van 1989. Ten tweede hebben huidige emigranten andere motieven dan hun voorgangers: het motief is niet primair economisch: men wil rust, minder stress en een beter natuurlijk en sociaal milieu. Wat de emigrant van vandaag, dat is het derde, vooral onderscheidt van de “wederopbouw-emigrant” is zijn flexibiliteit. De landverhuizer is een transmigrant geworden en lijkt in niets meer gebonden aan tijd of plaats. De communicatierevolutie door de opkomst van particulier internet vanaf de jaren 1990 ligt daaraan ten grondslag. De emigrant kan zich van tevoren via internet exact oriënteren op de beoogEasyjet-logode vestigingsplek, via de zoekmachines van Google, de megawebcam Google Earth en binnenkort met de deprivatiseerder Street View. Voorts boeken steeds meer aspirant-landverhuizers via een bemiddelingsbureau eerst een oriëntatiereis naar het doelgebied. En de emigrant van vandaag heeft nog het historische geluk dat internet de opkomst van prijsvechters als EasyJet en Value Jet (beide in 1995 opgericht) mogelijk maakte. Sinds 2000 biedt EasyJet online tickets aan voor slechts een handjevol euro’s. Deze ontwikkeling maakt emigereren een stuk goedkoper en daarmee eenvoudiger.

Kortom, de transmigrant kan zijn reis thuis boeken en arrangeren, zonder een onbekende en onzekere wereld binnen te stappen. Dat veel emigranten – ondanks de beschikbare middelen – er niet in slagen zich gedegen voor te bereiden op hun vertrek en daar pas na aankomst achter komen, is op de TROS nog regelmatig te zien in het programma Ik vertrek. En dat is tegelijk ook de paradox van onze postmoderne, gestroomlijnde samenleving: het gemak maakt haar burgers lui en daarmee vatbaar voor gemakzucht.

Gepubliceerd in: Groniek. Historisch tijdschrift 183 (september 2009) 191-204.




Recensie Schouw-Zaat, Thuis in de wereld

Thuis_in_de_wereld Nelly Schouw-Zaat, Thuis in de wereld. Ervaringen van Nederlandse emigranten, Profiel, Bedum, 2006, ISBN 90-5249-371-0 (paperback), 155 pag., €19,50.

Emigratie staat sinds ongeveer de millenniumwisseling weer volop in de belangstelling van de Nederlandse samenleving, politiek en media. Sinds 1998 is er in ons land sprake van een stijgende emigratie, die in 2004 een mijlpaal bereikte toen 49.000 geboren Nederlanders de grens overtrokken, een aantal dat sinds 1954 niet meer zo hoog is geweest. De motieven zijn – anders dan tijdens de grote emigratiegolf van 1947-1963 – niet zozeer de economische leefsituatie van de landverhuizer zelf, maar de kwaliteit van de hem of haar omringende samenleving. Ruimte, stilte, natuur en een schoner milieu vormen tegenwoordig de belangrijkste motieven om Nederland te verlaten, aldus een onderzoek van het blad Demos uit 2005. Het geschonden gevoel van veiligheid, sinds de aanslagen op de Twin Towers en de moord op Theo van Gogh, is voor veel Nederlanders nog een extra katalysator om emigratie te overwegen. Een Canadees emigratiebemiddelingsbureau kreeg na de moordpartij op Van Gogh in november 2004 dagelijks geen drie telefoontjes van aspirant-emigranten meer, maar vijftien tot twintig.


De toenemende maatschappelijke belangstelling voor emigratie gaat hand in hand met een groeiende wetenschappelijke interesse voor dit fenomeen. De Nederlandse emigratie naar Noord-Amerika in de negentiende en twintigste eeuw heeft recent veel aandacht getrokken. Voorbeelden zijn de in 2006 verschenen boeken Gereformeerden Overzee. Protestants-christelijke landverhuizers in Noord-Amerika van de journaliste Agnes Amelink, Vrijheid in het verschiet. Nederlandse emigratie naar Amerika 1840-1940 van de historicus Hans Krabbendam en Wij, eenvoudige Drentse lui. Landverhuizers uit Drenthe (1846-1872) van Ger de Leeuw. In hetzelfde jaar verscheen ook het hier te bespreken werk Thuis in de wereld van mevrouw Schouw-Zaat. Dit laatste boek, geschreven in opdracht van de Katholieke Emigratie Centrale, onderscheidt zich op vooral twee niveaus van de andere werken. Allereerst besteedt zij als enige aandacht aan de meer recente emigratiestroom uit Nederland, waarbij vooral de ervaringen van individuele emigranten centraal staan. In de tweede plaats springt haar boek in het oog omdat het, in tegenstelling tot de andere boeken, wetenschappelijk gezien onder de maat blijft.

De doelstelling van Thuis in de wereld wordt in het ‘woord vooraf’ vaag omschreven als het documenteren van de ervaringen van emigranten, met ‘de bedoeling dat anderen hiervan kennis kunnen nemen en zich een voorstelling kunnen maken van de ontwikkelingen van de emigratie in de afgelopen vijftig jaar’. Ondanks mijn waardering voor het streven van de schrijfster om een leesbaar en spannend product te leveren voor mensen die in emigratie geïnteresseerd zijn, moet mij van het hart dat ik me grote moeite heb moeten getroosten om dit boek in een enigszins acceptabel tempo uit te lezen. De problemen beginnen met het ontbreken van een duidelijke vraagstelling, afbakening en verantwoording. Uit het ‘woord vooraf’ valt wel op te maken dat vooral de periode 1950-2005 centraal staat, maar niet welke immigratielanden behandeld worden. In de loop van het betoog blijkt dat een hele serie landen de revue passeert: Spanje, Portugal, Frankrijk, Polen, Duitsland, Canada, de Verenigde Staten, Brazilië, Zuid-Afrika, etc. In een boek van slechts 155 pagina’s is het natuurlijk ondoenlijk om de historische context van zoveel landen in kaart te brengen, met als gevolg dat de ervaringsverhalen van de emigranten die aan het woord gelaten worden in het luchtledige blijven hangen. Voorts wordt niet duidelijk hoe de schrijfster in relatie staat tot het door haar beschreven onderwerp: is zij historica, praktiserend huisvrouw of is ze zelf geëmigreerd? We komen er gewoon niet achter, want noch in het ‘woord vooraf’, noch op de achterflap wordt melding gemaakt van de status van de schrijfster. Wat ik verder mis zijn voetnoten en een literatuurlijst die het betoog controleerbaar maken. Wel bevat de lopende tekst sporadisch bronverwijzingen, maar wanneer dit gebeurt, is sprake van weinig helderheid. Verder kan ik niet instemmen met een aantal statements dat in het boek gemaakt wordt. Werden na de emigratiedaad werkelijk vrijwel alle banden met het moederland doorgesneden? (151). Recent migratieonderzoek heeft aangetoond dat de contacten tussen vertrek- en vestigingsland op veel niveaus hecht bleven, onder meer door briefwisselingen, wederzijdse bezoeken, lectuur, remigratie en de opkomst van het vliegtuig, die transnationaal contact eenvoudiger maakte. De uitspraak dat de omvang van de Nederlandse emigratie en immigratie naar ons land de laatste jaren ongeveer gelijk is gebleven (153) klopt evenmin. Tussen 1998 en 2003 is de emigratie gestegen van ongeveer 36.000 naar 50.000 mensen per jaar, terwijl de immigratie gezakt is van 26.000 naar 20.000 personen, aldus het eerdergenoemde onderzoek in het blad Demos. Dat lijkt me toch een substantieel verschil. Jammer is ten slotte dat er in het boek minstens honderd grammaticale missers en stijlfouten voorkomen.

Valt er dan niets positiefs over dit boek te zeggen? Toch wel. Thuis in de wereld bevat een aantal leuke anekdotes, zoals de bijdrage van Martin en Thea Jonkers, die in de jaren vijftig naar Australië emigreerden. Toen Thea in 1954 in een Australische kraamkliniek moest bevallen, wreekte zich haar gebrekkige kennis van het Engels. Toen de verpleegster haar aanmoedigde met ‘push, push’, dacht Thea dat de poes van het personeel zoek was (82). Gelukkig bleek het kind dat korte tijd later ter wereld kwam gezond te zijn.

In het ‘woord vooraf’ omschrijft de redactie het boek van Schouw-Zaat als een ‘boeiende samenhangende uitgave’. Deze visie deel ik helaas niet. Het boek Thuis in de wereld ontstijgt het niveau van een hobbyistenplakboek nauwelijks en roept feitelijk meer vragen op dan het beantwoordt.

Enne Koops

Gepubliceerd in: Groniek 175 (juli 2007) 248-250.




27-12-09

Linkpartners

Hier vindt u de LINKPARTNERS waarmee deze weblog gelinkt is:


* Weblog Anne Rispens "Op de keper" - bezoek Anne Rispens' weblog

* Website Annette Zeelenberg "Geschiedenis Beleven" - bezoek "Geschiedenis Beleven" 

* Website historisch tijdschrift Transparant - bezoek de website van Transparant


LINKPARNERS VIA STARPAGINA'S EN LINKEXCHANGE-WEBSITES

* Linkpartners.uwstart.nl  -  bezoek linkpartners

* Superbezoeker.nl  -  bezoek superbezoeker

* Linkmachine.nl  -  bezoek linkmachine

* Space4links.nl  -  bezoek space4links

* Voordeelstart.nl  -  bezoek voordeelstart

* Linksmanager.com  -  bezoek linksmanager

* Sitelinkje.nl  -  bezoek sitelinkje

* Submitfree.com -    Submit your website to 20 Search Engines   Toplist     Blog Directory - OnToplist.com

* De-linkruilers  -  bezoek de-linkruilers

* Webhosting  -  bezoek webhosting

* Alles over geschiedenis

* 123-bezoekers.com  -  bezoek 123-bezoekers

* Ontdekhetverleden.goedbegin.com  -  ontdek het verleden!

* Geschiedenis-nederland.startpagina.nl  -  bezoek deze startpagina

* Linkruiler.nl  -  bezoek linkruiler.nl

* Startplezier.nl  -  maak je eigen startpagina